Menu Sluiten

Zwart op wit

Merina Beekman (1961) en Carla Kranendonk (1961) zijn twee beeldende kunstenaressen die in de jaren tachtig samen op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam zaten. Beide vrouwen raakten, onafhankelijk van elkaar, aan het begin van hun carrière gefascineerd door een andere cultuur dan die waarin ze opgroeiden. Beekman, tekenares, vindt haar inspiratiebron in Centraal Azië en Noord – Afrika. Kranendonk, schilderes, laat zich voor haar werk inspireren door de afro – cultuur.

Merina Beekman: Je zit steeds tegen je eigen grenzen aan te duwen

Het tot atelier omgebouwde klaslokaal waarin Beekman werkt, is op de middag van het interview niet alleen erg licht maar ook erg leeg. Alles wat Beekman de afgelopen periode heeft gemaakt, is haar atelier uitgedragen voor een tentoonstelling in de Amsterdamse galerie Slewe en voor haar overzichtsexpositie in de wolhokken van het Tilburgse museum De Pont.

Inspiratiebron
Beekman nestelt zich, tegenover mij, in de hoek van een bank met een kopje thee. Haar werkruimte, vertelt ze dan, zal voorlopig wel leeg blijven. Eerst gaat ze een paar weken op vakantie om uit te rusten van de hectische periode rond de twee grote exposities. Daarna pas zal ze ‘haar’ materiaal weer ter hand nemen: Oost – Indische inkt, onregelmatig gevormd papier, naald, garen, wol en andere stoffen.
Beekman, die volgens kenners al vrij lang een ‘handschrift’ heeft, noemt zichzelf een uitgesproken tekenares. Dat schilderen niet bij haar hoort, werd haar al tijdens haar academiejaren duidelijk. ‘Het gedoe met verf, de stank van de terpentine, het gemodder met kleuren past niet bij mij,’ zegt ze. Als ze in haar academiejaren een schilderij maakte, was ze, achteraf gezien, eigenlijk bezig met een tekening op doek.
Al vanaf haar academietijd werkt Beekman uitsluitend in zwart en wit. Nadat ze haar ‘toon’ had gevonden, werd haar werk meer abstract. Ze maakte toen tekeningen van 3 bij 4 met onverdunde Oost – Indische inkt. Vaak was de afbeelding in die periode een combinatie van een dier en architectuur. Beekman: ‘Ik zocht meestal naar beeldrijm. Zo kwam ik er bijvoorbeeld toe de moskee van Còrdoba, die strepen heeft, te combineren met een ezel met gestreepte poten.’
Beekman vond gedurende deze jaren haar inspiratie in de Griekse, islamitische en Moorse architectuur. Toen ze ergens in 1986 een boek zag over Afghanistan ging haar hart sneller kloppen. Het waren het licht, de architectuur, de mensen, die haar troffen, eigenlijk alles bij elkaar. En dat wilde ze gaan uitbeelden.
Beekman: ‘Ondanks die gruwelijke geschiedenis van dat land is er steeds weer iets in die cultuur wat me hevig inspireert. Dat is nu al bijna 25 jaar het geval. Vragen naar het waarom hiervan heeft geen zin. Het zit in je en gaandeweg, tot je eigen verbazing, is het iedere keer weer opnieuw een inspiratiebron.’

Ontwikkeling
Toen Beekman halverwege haar studie was, veranderde de opleiding. De Rijksacademie wilde geen opleidingsinstituut meer zijn voor beginnende kunstenaars, maar kunstenaars gaan begeleiden die al een gezicht hadden. Dat hield in dat er voortaan alleen mensen werden aangenomen die al elders een kunstacademische opleiding hadden afgerond.
Voor Beekman kwam deze omslag erg goed uit. Hierdoor kreeg ze de gelegenheid om in één studieperiode zowel de gewone als een vervolgopleiding te doen. De overgang kwam ook net rond de periode waarin ze al haar eigen ‘toon’ begon te vinden.
Het zoeken naar eigenheid is de vraag waar het in het werk van Beekman allemaal om draait. De eerste keer dat ze op de academie iets gemaakt had waarbij ze dacht ‘Dit is een Beekman’ had ze een tijger getekend. Voordat ze aan dit werk begon, stelde ze zich tot taak de tijger zo neer te zetten dat een voorbijganger er stil bij moest blijven staan omdat de voorstelling hem daartoe dwong. Om dat effect te bereiken, tekende ze het beest op zijn rug onder bananenbladeren. Deze tekening, zegt Beekman, markeert, achteraf gezien, een belangrijke stap in haar ontwikkeling. Het lukte haar namelijk iets te creëren wat zowel abstract als figuratief kon worden geïnterpreteerd: de betreffende tekening was niet alleen een afbeelding van een tijger maar kon ook worden gezien als een verzameling lijnen. Beekman: ‘Ik had met deze tekening laten zien dat ik in staat was op een verhullende manier te werken en dat was voor mij belangrijk.’
Zo’n ontwikkeling in je werk, zegt Beekman, kun je wel willen, maar het is niet een proces dat je volledig in de hand hebt. Pas als je een paar jaar verder bent en terugkijkt, zie je hoe het gegaan is, hoe de ene stap uiteindelijk een logisch gevolg is op de andere.
Het vinden van de eigen stijl ervaart Beekman als een worsteling. Dat is een gevecht dat nooit ophoudt omdat een goede kunstenaar zich niet wil herhalen. Beekman: ‘Iedere keer weer ben je je eigenheid aan het zoeken maar tegelijkertijd ben je ook altijd tegen je eigen grenzen aan het duwen. Je wilt je grenzen verleggen want anders zou je op den duur een kunstje uitvoeren.’
Het lastige aan dit proces, zegt Beekman, is dat je niet ontkomt aan jezelf, dat je als kunstenaar in jezelf zit opgesloten. Geef een stel kunstenaars een paar keer een verschillend stapeltje foto’s en vraag ze er eentje uit te kiezen. Het zal erop uitdraaien dat ze elk steeds weer eenzelfde soort foto zullen pakken. Zo gaat het ook met het maken van kunstwerken. Op een gegeven moment is elk werk onmiskenbaar het werk van kunstenaar X of kunstenaar Y. Beekman noemt dat een ‘genetische bepaaldheid’ en merkt bij zichzelf dat een zwarte vlek altijd weer haar aandacht trekt.

Verandering
Langzamerhand kreeg Beekman de behoefte om op een tekenblad meer te maken dan alleen een voorstelling. Ze wilde ook graag de witte vlakken die overbleven vullen. Omdat ze geen schilder is, zag ze zich voor een probleem geplaatst. Uiteindelijk kwam ze op het idee te gaan werken met stof waar ze vlakken uit knipte of sneed. Door het gebruik van stof, leerde Beekman veel beter grijzen toepassen in haar werk en begon ook het werk minder verhullend te worden.
In deze periode wilde Beekman ook mensen gaan tekenen. Dit leidde tot een serie portretten geïnspireerd op personen uit allerlei grensgebieden uit het Midden–Oosten. Opvallend aan deze serie is dat Beekman alle gezichten heeft afgedekt met stempels of dieren.
Beekman: ‘Met de vraag hoe iemand kijkt, wilde ik toen niks te maken hebben. Het gezicht, en dan specifiek de ogen, vond ik teveel de aandacht trekken, psychologisch gezien. Ik wilde alles op het papier even veel aandacht geven. Als ik het gezicht zou tekenen, en dan met name de ogen, dan werd dat automatisch de ‘blikvanger’.’
Beekman streefde ernaar haar tekeningen helemaal op te bouwen uit details die allemaal even belangrijk moesten zijn. Dit is ook wat ze bewondert aan de islamitische architectuur. Zo kent ze een moskee in Iran die helemaal is opgetrokken uit tegels met bloemen. Beekman:‘Het is een enorm monumentaal gebouw, een schitterende eenheid, en toch bestaat het uit louter details.’

Bezweren
Nadat Beekman al jaren geïnspireerd werd door het Midden-Oosten en Noord- Afrika kreeg ze op een dag een boek in handen over het gebruik van amuletten en talismannen. Toen ontdekte ze dat alles wat ze al jaren zo ontzettend mooi vond, over bezweren bleek te gaan. Hoe dichter het patroon in bijvoorbeeld een borduurwerk of tapijt, las ze, hoe minder plek men denkt het boze oog te gunnen. Beekman begreep opeens dat de overdaad aan kleuren en vormen in de islamitische wereld, allemaal pogingen zijn om het kwaad buiten te houden.
Beekman: ‘Wat ik doe als kunstenaar, is niet anders. Tekenen is een vorm van bezweren. Elke keer weer als je tekent, probeer je die ene tekening te maken die naar vorm en inhoud optimaal is.’
Sinds Beekman begon te exposeren met werk geïnspireerd op het Midden- Oosten en Noord – Afrika had men belangstelling voor haar werk, maar er was in het begin ook wel een groep mensen die moest wennen aan het feit dat ze haar bronnen niet vond in de westerse wereld. De laatste jaren ligt dat anders. Er is overal veel meer aandacht voor de islamitische wereld. Maar de vraag of haar werk zou aanslaan bij veel mensen, zegt Beekman, was ook in de beginjaren van haar kunstenaarsschap voor haar van ondergeschikt belang. Dichtbij jezelf blijven, zegt ze, is de enige keuze die je als kunstenaar hebt als je ooit iets wilt maken dat er toe doet.

Carla Kranendonk: Licht leidt af

Een hoge ruimte in een smalle straat om de hoek van het Leidseplein in Amsterdam is de plek waar Carla Kranendonk al meer dan vijftien jaar onafgebroken werkt aan haar portretten van afro-mensen. De afgebeelde figuren – soms mensen uit de directe kring, soms randfiguren zoals een travestiet of een junk – noemt Kranendonk eigenzinnige en eigentijdse helden. lees verder
Op mijn vraag of het niet lastig is te moeten werken in zo’n donkere ruimte, zegt Kranendonk resoluut dat het haar niets uitmaakt, dat het misschien zo juist goed is.
Kranendonk:’ Ik houd me natuurlijk wel met licht en donker bezig in mijn werk maar het licht van buitenaf is voor mij niet zo belangrijk. Ik ben geen schilder van de natuur. Als het buiten donker is, kan ik misschien daarom nog wel beter werken omdat het dan ook veel rustiger is. Het licht leidt me heel erg af. Als ik ’s middags rond een uur of drie mijn atelier uitkom, om mijn 2 zoons van school te halen, dan komt de wereld soms heel hard op me over. Dan kan ik de dingen soms ook heel lelijk vinden door al het licht dat erop valt.’
Al als kind, vertelt de in Friesland geboren en getogen Carla Kranendonk, hield ze meer van donker omdat ze zich er beter bij kan concentreren. Donker verdoezelt ook meer. Dan zijn dingen voor haar geheimzinniger, dan kan ze meer bedenken bij de dingen die ze ziet. Haar beste herinneringen aan het Friese landschap zijn dan ook de lange fietstochten ’s morgens vroeg als het licht nog gedempt was.

Keuze
Dat Kranendonk kunstenares wilde worden, besloot ze als twaalfjarige toen ze op een dag van school naar huis fietste. Ze had gemerkt dat ze zich het gelukkigst voelde als ze iets ‘produceerde’. Dat was een beleving die ze niet alleen had als ze aan het tekenen was maar ook als ze een werkstuk moest maken.
De middelbare schoolperiode vond Kranendonk overigens rampzalig. Het lukte haar slecht om zich te concentreren op vakken die ze niet leuk vond en mee te doen aan lessen van leraren die ze niet zag zitten. Maar het leven veranderde van kleur toen ze uiteindelijk naar de kunstacademie kon. Daar kwam ze terecht bij mensen met wie ze iets deelde. Eerst zat ze twee jaar op de kunstacademie in Kampen, toen vertrok ze naar de Rijksacademie in Amsterdam. In die stad, vertelt ze, kwam ze uiteindelijk helemaal thuis. De vrijheid die er heerste, het leven tussen mensen uit verschillende culturen, gaf haar een geluksgevoel.

Van abstract naar figuratief
Wie begin jaren 80 en ook daarvoor de Rijksacademie van Amsterdam bezocht, vertelt Kranendonk, moest accepteren dat modeltekenen een jaar lang een hoofdvak was. Dag in dag uit zaten Carla en haar jaargenoten achter een ezel te kijken naar iemand die poseerde voor de groep. Hierna ontwikkelde Kranendonk zich in haar vrije werk tot een schilderes die abstracte tekeningen maakte. Docenten van de Rijksacademie en mensen uit de kunstwereld reageerden enthousiast op dit werk. Twee keer kocht de Rijksacademie werk van Kranendonk aan en de toenmalige galerie Goem in Nijmegen nodigde haar twee keer uit om te exposeren.
Ondanks dit succes merkte Kranendonk dat de oriëntatie in haar werk opschoof van abstract naar figuratief en dat ze zich steeds meer ging interesseren voor het leven van afro–mensen. Via een vriend was Kranendonk in de laatste periode van haar studie terechtgekomen in de afro-Surinaamse en de Afrikaanse scene in Amsterdam. Kranendonk raakte onder de indruk van de schoonheid van zwarte mensen. Hiernaast herkende ze zich in het plezier en de inspiratie waarmee zwarte mensen zaken aanpakken: ze laten zich niet makkelijk klein krijgen, vond Kranendonk, ook al waren de omstandigheden soms erg moeilijk. De strijd die zwarte mensen moeten voeren voordat ze iets gedaan krijgen, is iets wat Kranendonk herkent als beeldend kunstenaar: je moet iets ontwikkelen uit het niets en daar is veel moed voor nodig om het voor elkaar te krijgen.
Maar een antwoord op de vraag waarom de afro–cultuur Kranendonk al bijna 20 jaar iedere dag weer blijft boeien, heeft de kunstenares niet. Het is, zegt ze, een mysterieuze aantrekkingskracht en dat gevoel kan ze moeilijk in woorden uitdrukken.

Emoties
Een foto van een marronmeisje uit de Surinaamse binnenlanden die Kranendonk in 1992 te pakken kreeg, werd de inspiratiebron voor haar eerste portret van een afro-persoon. Dit was het begin van een reeks afro-portretten die nog lang niet is voltooid.
Kranendonk: ‘Menselijke emoties boeien me het meest. Ik ben niet iemand die bloemen zal schilderen of landschappen of huizen. Soms horen deze zaken dan wel bij de afgebeelde personen, maar het is altijd weer de mens die centraal staat.’
Naast een periode waarin Kranendonk ook koppen maakte van papiermaché, is ze altijd blijven schilderen op papier en doek. Op papier, zegt Kranendonk, is haar werk vaak emotioneler. Dit werk is vrijer en ontstaat directer, in een vaak veel ongeremder proces. Het werk op doek daarentegen is meer doordacht, niet in het minst omdat Kranendonk doorgaans maanden aan een schilderij werkt. Deze schilderijen zijn vaak hommages aan mensen.
Kranendonk merkt dat haar werk op papier meer tot de verbeelding spreekt van kunstkenners. Met het werk op doek bereikt ze doorgaans een grotere groep.

Thema’s
Veel van de doeken van Kranendonk verwijzen naar de geschiedenis van zwarte mensen die als slaven vervoerd zijn naar het Caraïbisch gebied en de Verenigde Staten. Marcus Garvey, een activist die aan het begin van de twintigste eeuw de nakomelingen van de slaven o.a. opriep om trots te zijn op hun ras, is een terugkerende figuur in haar werk. Wat verder opvalt op veel doeken is de prominente plaats die schoenen bij haar innemen. Tijdens de slavernij, zegt Kranendonk, was het slaven verboden schoenen te dragen. In haar werk symboliseren schoenen nu de vrijheid voor het kunnen staan en gaan waar je wilt.
Het werk op doek bouwt Kranendonk laag voor laag op. Voor haar zit de uitdaging erin om ‘het verhaal’ en de ‘schilderkunstige kwesties’ tot een overtuigend beeld te brengen. De meeste van Kranendonks werken ogen nogal ‘plat’. Dit is niet toevallig, zegt ze. De suggestie van diepte en perspectief interesseren haar wel maar niet op een traditioneel schilderkunstige manier zoals we dat kennen van schilders als Vermeer. Diepte en perspectief wil Kranendonk aanbrengen door symbolen te gebruiken. Op haar doeken combineert ze verf met originele foto’s, fotokopieën, stukken landkaart, stukken stof, borduursels en kralen om dit effect te bereiken.

Ontwikkeling
Ruim tien jaar heeft het werk van Kranendonk haar atelier nauwelijks verlaten, deels omdat er zelf ook nog niet tevreden over was. Toch bleef ze ook in die periode vertrouwen houden in haar talenten als kunstenaar. Haar inkomen verdiende ze toen door ’s avonds als postsorteerder te werken.
De afgelopen vijf jaar vindt het werk van Kranendonk weer zijn weg naar buiten en ze heeft alweer meerdere keren geëxposeerd. In 2005 ontving ze de Black Magic Woman Award voor de beeldende kunst. Uit afro–Nederlandse hoek is er een positieve belangstelling voor haar werk. Bij autochtone Nederlanders, zegt Kranendonk, lijkt haar werk tot nog toe vooral aan te slaan bij mensen ‘die bereid zijn verder te kijken dan hun neus lang is’.
Bang om met haar portretten van zwarte mensen naar buiten te komen, was Kranendonk niet. In het dagelijks leven, zegt de schilderes, mag ze misschien wel wat verlegen overkomen, in haar werk deinst ze nergens voor terug. Daar is geen onderwerp haar te gewaagd, geen manier van werken te gedurfd en gaat ze met hetzelfde gemak aan de gang op papier of doek van heel groot of klein formaat.
Inmiddels is de wereld waar Kranendonk zich door laat inspireren, steeds meer haar eigen leefwereld geworden, dit door haar relatie en het gedeelde ouderschap met een Amsterdammer van afro-Surinaamse afkomst. Een deel van de figuren in het werk van Kranendonk zijn nu ook geïnspireerd op personen uit haar directe omgeving.
Voor het eerst in meer dan twintig jaar zal Kranendonk weer een blanke schilderen en dat wordt nota bene zijzelf. Kranendonk is bezig met een groot portret van haar eigen gezin. Het is een ‘tussendoortje’ zegt Kranendonk. Met haar serie over zwarte mensen gaat ze hierna gewoon weer verder.

Henna Goudzand Nahar

Geplaatst inVrouwen en management