Menu Sluiten

Brief 1 van Adil aan Tess

Beeld: Harry Dovianus

Beste Tess,
Leuk om een briefwisseling met je te beginnen. Toen ik werd benaderd door de redactie van Oer Digitaal om een tijdje met een jonge vrouw te gaan corresponderen, leek het me wel wat. Ook ik ben zeker benieuwd naar wat een vrouw van mijn generatie bezighoudt. Maar laat me me eerst voorstellen. Ik heet Adil en ben 27 jaar. Sinds 2004 heb ik mijn hbo – diploma lichamelijke opvoeding op zak. Deze studie, die ik na mijn havo heb gevolgd, heb ik alleen maar gedaan omdat ik graag sport. Om eerlijk te zijn, zie ik mezelf niet voor de klas staan: ik houd teveel van dollen met kinderen. Ik ben veel te speels om een meester te zijn.
Op dit moment geef ik sportlessen aan een gaysportvereniging. Ik hoop dat het je genoeg zegt over hoe ik als Marokkaanse jongen in het leven sta, kijk naar andere culturen en seksevoorkeuren en alles wat onder dat rijtje hoort.
Ik ben een Berber maar veel weet ik  niet van die cultuur. Wat ik weet is dat het een apart volk was toen de grenzen van Marokko werden bepaald. Berbers kun je, denk ik, vergelijken met Friezen. Ze hebben hun eigen taal en eigen gewoonten. Voor mij is Berber zijn niet meer dan het hebben van een andere taal. Van de historie van de Berbers weet ik verder niets.

Ik ben geboren in Nederland. Mijn vader is kind van een van de eerste Marokkaanse gastarbeiders. Mijn opa zat een aantal jaren in het leger van Marokko. Daarna is hij verhuisd naar Frankrijk en Spanje en heeft er gewerkt aan spoorlijnen, in mijnen en fabrieken. Rond 1972 kwam hij als gastarbeider naar Nederland. Mijn vader en zijn broers bleven achter in Marokko. Mijn vader leerde op een gegeven moment mijn moeder kennen en trouwde met haar. Ze kregen in eerste instantie vijf kinderen. Toen had mijn opa genoeg gespaard om mijn vader en zijn andere zoons te laten overkomen. Mijn vader kwam eerst alleen naar Nederland. Mijn moeder kwam iets later met 3 van de 5 kinderen. De oudste 2 bleven bij haar ouders achter. In Nederland raakte mijn moeder weer zwanger en ik werd geboren.

Mijn vader is, net als mijn moeder, analfabeet. Eerst werkte mijn vader in fabrieken, maar na een aantal jaren gingen hij en zijn broers in de horeca. Rond 1985 had mijn vader financiële problemen. Daarom gingen mijn moeder en de kinderen voor een tijdje terug naar Marokko naar mijn opa en oma van vaders kant. In onze cultuur is het namelijk zo dat de verantwoordelijkheid voor een vrouw en de kinderen de zaak is van de familie van de man. Mijn opa zat inmiddels weer in Marokko en hij en mijn oma vingen mijn moeder en de kinderen op.

Ik was vijf jaar toen ik naar Marokko ging. Ik heb er toen 3 jaar gewoond. Over deze periode uit mijn leven weet ik niet veel meer. Wat ik nog wel herinner, is dat ik beschermd werd opgevoed en goed werd verzorgd door mijn opa en oma, mijn moeder en mijn broers. Wat ik later hoorde over die tijd is dat ik heel vaak witte kleren aan had. (Nu weet ik niet hoeveel daarvan waar is, maar wel weet ik dat deze ‘kleur’ nog steeds een van mijn favorieten is.)

Mijn broers en mijn zus die in Marokko achtergebleven waren, zag ik toen voor het eerst. Maar ook daar kan ik me niet zoveel van herinneren. Ik had niet zoveel contact met ze. Het enige wat ik nog goed weet, is dat ik een ongeluk kreeg op school en dat de directeur er mijn oudste broer Chalid bij haalde om mee te gaan naar het ziekenhuis. Dat is het enige duidelijke beeld dat ik van die oudere broer heb uit  Marokko. Pas later, toen ik weer in Nederland woonde en hij later ook hierheen kwam, leerde ik hem kennen.

Toen ik acht was, kwam ik met mijn moeder en de drie kinderen boven mij terug naar Nederland. Mijn oudste broer en zus bleven achter. Mijn vader had een snackbar en een oom reed ons van Schiphol naar huis . We kwamen midden in de nacht aan. Het eerste wat ik me van dat moment kan herinneren is de geur van mayonaise en patat. Het is gek maar als ik deze geur ruik, moet ik altijd terugdenken aan dat moment. Ik had geen herinneringen meer aan Nederland en het Nederlands kende ik ook niet. Ik vermoed dat ik voor mijn vertrek de taal ook nog niet sprak. Ik was hier ook nog niet naar school geweest. Wat mij opviel aan Nederland was dat alles er zo netjes was. Alles was georganiseerd. Nergens kwam je braakliggende terreinen tegen.
Al gauw ging ik naar school. Ik moest het Nederlands nog leren maar ik was niet de enige op school met dat probleem. Ik had het er wel naar mijn zin. Ik was erg beweeglijk en had een leuke klik met de kinderen.

Het ging goed met de zaak van mijn vader. Echter, mijn vader benutte dat succes niet goed. Hij raakte aan de drank en de drugs. De situatie thuis werd zo slecht dat mijn moeder besloot te scheiden van mijn vader. We gingen wonen in een wijk in Amsterdam, dichtbij het centrum. Ik speelde heel veel op straat en zo leerde ik Simon kennen. Ik leerde hem voetballen. Simon vond dat leuk en hij vertelde thuis over me. Zijn moeder Maaike stelde voor dat hij me eens meenam. Zo leerde ik de ouders van Simon kennen. Maaike en Jan (Jan is de vriend van Maaike) werden twee belangrijke mensen in mijn leven. Vanaf de dag dat Simon me meenam, kwam ik dag in dag uit bij hen over de vloer. Eerst heeft Maaike -die juf Nederlands is-  ervoor gezorgd dat ik niet, zoals alle Marokkanen van onze school, naar het vbo ging.  Dat was namelijk het vaste advies voor Marokkanen van de leerkracht van groep 8.  Dankzij Maaike ging ik naar de mavo. Al in de tweede klas vonden mijn leraren dat ik kon overstappen naar de havo. Maar daar hebben Maaike en ik niet voor gekozen, omdat ik een taalachterstand had.  Maaike heeft me geholpen mijn taalachterstand in te lopen.

Met Jan en Simon en de rest van hun gezin mocht ik mee naar allerlei sportactiviteiten. Jan was sportleraar. Ook bij andere uitjes hoorde ik erbij. Zo ging ik met Jan en Simon voor het eerst in mijn leven naar de bioscoop. Ik heb toen ‘The Lion King’ gezien en ik kan me nog herinneren dat ik onder de indruk was van die film. Simon en Maaike zijn belangrijk gebleven in mijn leven ook toen we met het gezin verhuisde naar een ander deel van Amsterdam. Naast deze oude buren is Mouna, een oudere zus van me, ook belangrijk voor me geweest. Zij vertegenwoordigde mijn Marokkaanse kant. Mouna steunde me altijd, ze begreep me en was altijd bereid haar nek voor me uit te steken. Negen jaar na mijn geboorte kregen mijn ouders nog een zoon en na 2 jaar een tweede. Mijn twee jongere broers wonen nog thuis en ik heb veel contact met ze. Sinds kort heb ik een flatje in Amsterdam-Zuidoost. Ik woon tussen veel Afrikanen en Surinamers, met andere woorden er wonen hier veel donkere mensen. De laatste tijd komen er in de omgeving steeds meer koopwoningen waardoor de buurt gemengder wordt. Ik heb het hier wel naar mijn zin. Toch zou ik in de toekomst wel graag rond het centrum willen wonen, omdat ik dan dichter bij mijn werk, familie en vrienden ben. Dat vind ik prettig want dan kan overal met de fiets heen. Nu moet ik soms met de metro omdat het anders te ver is.

Maar beste Tess, ik ga mijn brief nu maar afsluiten. Ik ben overigens net terug van een sportproject in Zuid – Afrika. Wat dat was en wat ik er heb gedaan, vertel ik je wel in mijn volgende brief.  Maar eerst wil ik jouw ‘live story’ horen! Om met tante Es van het televisieprogramma ‘Raymann is laat‘ te spreken: Wie is jouw vader en wie is jouw moeder?

Adil, Amsterdam, september 2009

Geplaatst inSeksualisering