Menu Sluiten

De emancipatiegraad van Halleh Ghorashi

‘Ik zou nooit financieel afhankelijk willen zijn van iemand anders. Daarom vind ik het hebben van een baan belangrijk. Maar daarnaast is het contact dat je door een baan met de samenleving hebt,van niet te onderschatten belang. Werken geeft je een bredere kijk op het leven en via een baan kun je invloed uitoefenen op de samenleving.
Ik ben nu Bijzonder Hoogleraar Management van Diversiteit en Integratie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Inhoudelijk vind ik deze baan ontzettend leuk. In Iran, waar ik vandaan kom, heb ik van alles gedaan. Ik ben er tandartsassistente geweest maar ik heb ook in een laboratorium gewerkt en in de praktijk van een gynaecoloog. In Iran was ik Marxist. In Marxistische termen zou ik zeggen dat werken in Iran een vorm van vervreemding veroorzaakte bij mij. Ik werkte om te overleven. Inhoudelijk beleefde ik er weinig plezier aan. Begin jaren tachtig, ik was net van de middelbare school af, brak de zogenaamde culturele revolutie uit als gevolg van de Iraanse revolutie van 1979. In de periode kreeg een Islamitische groep die met de revolutie meedeed, steeds meer macht. Alle universiteiten werden tijdelijk gesloten om alles te kunnen islamiseren. Een paar jaar later kon er weer gestudeerd worden maar voor mij was het toen gevaarlijk om mee te doen aan de toelatingsexamen voor de universiteit. Er zou een antecedentenonderzoek worden ingesteld en de autoriteiten zouden er achter komen dat ik in linkse politieke kringen verkeerde. Daarmee bracht je je leven in gevaar. Uiteindelijk heb ik in 1988 toch moeten vluchten om mezelf in veiligheid te brengen.

In Nederland heb ik meteen de kans gegrepen om alsnog te gaan studeren. Ik wilde iets doen binnen de sociale wetenschappen, sociologie bijvoorbeeld. Bij de Vrije Universiteit waar ik me na een cursus Nederlands aanmeldde, bleek sociologie nog geen volledige studie te zijn. Rechten leek me ook interessant maar die studie raadde de studentendecaan me af omdat ik er, bij een eventuele nieuwe migratie, niets aan zou hebben. Zo kwam ik uit op antropologie. Ik had er ooit van gehoord maar wist niet precies wat de studie inhield. Het leek me boeiend, ook omdat ‘sociologie van de niet- westerse samenleving’ een onderdeel van de studie was.
Ik ben achteraf ontzettend blij met mijn studiekeuze. Dit zeg ik niet alleen om de inhoud maar ook om de groep mensen die ik er heb leren kennen. Ik was ouder dan mijn medestudenten maar dat was nauwelijks een obstakel. Antropologie trekt mensen die geïnteresseerd zijn in andere culturen. Mijn medestudenten waren oprecht nieuwsgierig naar mijn achtergrond en ik voelde me al gauw opgenomen in de groep. Ik denk met heel veel plezier terug aan mijn studieperiode.

Naast antropologie deed ik ook filosofie maar die studie heb ik niet afgemaakt. Vrijwel meteen na mijn afstuderen kreeg ik een promotieplaats bij afdelingen antropologie en Vrouwenstudies in Nijmegen. Voordat ik gepromoveerd was, werd ik universitair docent aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Niet lang na mijn promotie kreeg ik vervolgens deze leerstoel.
Als kind al wist ik dat ik me zodanig wilde ontwikkelen dat ik zo onafhankelijk mogelijk in het leven kon staan. Dat heeft te maken met de geschiedenis van mijn moeder en dan nadat ze was gescheiden van mijn vader. Ze kwam uit een rijke aristocratische feodale familie die haar bezit langzamerhand kwijt raakte toen in de jaren 1960 het modernisme in Iran vorm begon te krijgen. Mijn moeder had geen goede opleiding en was ook niet helemaal gezond. Na de scheiding, kwam ze in een positie terecht waarin ze alles moest aanpakken om haar hoofd boven water te houden. Dat was een lastig gevecht.

Kinderen heb ik niet. Dat is er niet meer van gekomen. Sommigen denken dat dit te maken heeft met mijn carrière maar dat is niet waar. Ik wilde pas kinderen als ik in staat zou zijn ze een stabiele, liefdevolle omgeving te bieden. Zo zat mijn leven in Iran niet in elkaar, maar ook in Nederland was dat aanvankelijk niet het geval. En juist hier vond ik dat nog belangrijker omdat er ook geen familie was waar het kind eventueel op terug kon vallen.
Sinds een paar jaar ben ik getrouwd met een collega-docent en in deze relatie zou ik het stichten van een gezin wel hebben aangedurfd. Maar ik ben inmiddels al weer 47 jaar.

Dat ik een stabiele, liefdevolle omgeving zo belangrijk vond voor het krijgen van kinderen, heeft alles te maken met mijn eigen jeugd. Meteen na mijn geboorte werd mijn moeder psychisch ziek en het is op dat gebied niet meer echt goed gekomen met haar. Op mijn negende gingen mijn ouders uit elkaar. Het leek hen toen het beste dat ik, hun enig kind, naar een kostschool ging. Het was een duur instituut met een goede naam. Ik begrijp de keuze van mijn ouders achteraf wel maar het was een eenzame periode waarin ik erg afhankelijk was van wat anderen met mij voor hadden. De angst voor afhankelijkheid is daardoor mijn grootste angst geworden. Al heel jong was ik bezig met de vraag hoe ik het alleen kon redden. Mijn vader had het later wel eens moeilijk met mijn grote mate van zelfstandigheid. Maar daarop kon ik alleen zeggen dat hij en mijn moeder me hadden los gelaten toen ik hen nodig had. Ik ben daardoor ertoe gedwongen om het allemaal alleen te kunnen doen.
Maar het lot is grillig. Na een zwaar bevochten zelfstandigheid werd ik door mijn vlucht naar Nederland als asielzoeker weer volledig afhankelijk van anderen. Dat vond ik moeilijk. Toen ik eenmaal een verblijfsvergunning had, zocht ik ook meteen een baan. Tijdens mijn studie ben ik ook altijd blijven werken.
Als ik terugkijk op mijn leven dan zie ik dat ik het niet makkelijk heb gehad. Er is me weinig in de schoot geworpen. Aan de andere kant is de voldoening groot omdat het me allemaal wel is gelukt. Dit gevoel herken ik bij andere vrouwen met min of meer dezelfde geschiedenis.

Naast mijn werk op de universiteit ben ik actief in besturen en in adviesraden. Nu heb ik zitting in het bestuur van Echo, een organisatie voor jonge allochtonen in het hoger onderwijs, in een adviescommissie voor vluchtelingenwerk en sinds kort in het bestuur van het tijdschrift Opzij.
Ik voelde me in het verleden niet altijd serieus genomen in Nederlandse besturen en organisaties. Het was me niet duidelijk of het was om mijn vrouw- zijn of om mijn Iraanse afkomst. Gelukkig heb ik inhoudelijk altijd voldoende waardering en erkenning van mijn collega–wetenschappers gehad. Maar vooral op het niveau van bestuurlijk werk heb ik me wel eens een excuustruus gevoeld, als de allochtoon die erbij gehaald werd om kleur aan het geheel toe te voegen. Het is me nogal eens overkomen op bestuursbijeenkomsten dat ik iets zei en dat de rest knikte maar er verder niks mee deed. Maar als een witte man vervolgens hetzelfde opmerkte, werd er serieus op ingegaan. Op dat soort momenten voelde ik me niet alleen genegeerd maar ook gemarginaliseerd.
Deze ervaring heeft gemaakt dat ik erg selectief ben geworden bij het toetreden tot een bestuur of raad. Ik wil er nu zeker van zijn dat ik gevraagd wordt om inhoudelijke redenen. Om er te zitten alleen maar omdat je een vrouw bent of een allochtoon, ervaar ik als erg pijnlijk.
Wat je als allochtoon merkt in bepaalde kringen van alleen autochtonen, is dat men moeite heeft met de omgang met personen die niet op hen lijken. Dan kom jij er binnen met je ander taalgebruik, ander accent, andere gebaren…… en je voelt dat je erg uit de toon valt. In zo´n situatie moeten die mensen het proces durven aangaan om aan jou te wennen en jij moet in staat zijn ze die tijd te gunnen.

In mijn vorige intieme relaties heb ik altijd mijn grenzen moeten bewaken. Zelfs mannen die te boek staan als geëmancipeerd, gaan over je grenzen heen, zien een vrouw als hun eigendom. Veel mannen eigenen zich je ruimte toe. Zo verwachten ze dat jij als vrouw elke dag wel voor de warme maaltijd zal zorgen. In mijn huidige relatie is dat niet het geval. Net als vele vrouwen heb ik zelf de neiging om taken naar me toe te trekken. Nog voordat mijn man ergens aan toe kan komen, heb ik het alweer gedaan. Ik doe daardoor meer in het huishouden maar ik voel me er niet toe verplicht. In het verleden heb ik dat wel anders meegemaakt. Als ik er een weekend niet was, werden er geen boodschappen gehaald.
Ideaal vind ik dat je in een relatie jezelf kunt zijn maar tegelijkertijd ook de vreugde kent van het samenzijn. Dan heb je het beste van wat mogelijk is en dat is wat ik ervaar met mijn huidige partner. Ook in dit opzicht ben ik dus tevreden met mijn leven.

Zorgtaken heb ik voor mijn moeder. Ik ben haar enig kind en zij is mijn achilleshiel. Midden in de nacht kan ik wakker schrikken om haar. Ik ben kwetsbaar als het om mijn moeder gaat. Ze heeft mijn hulp nodig. Maar als mensen psychisch ziek zijn dan vinden ze het moeilijk om hulp toe te laten. Dat maakt het ook ingewikkeld. Daarbij woont ze in Iran en is het niet makkelijk om van hieruit de relatie te onderhouden. Maar ik doe wat ik kan. Wekelijks bel ik.
Om mijn vader heb ik gelukkig geen zorgen. Hij is een gepensioneerde tandarts, is hertrouwd en heeft twee kinderen uit zijn tweede huwelijk. Met dat gezin woont hij in Amerika. Mocht er iets met hem zijn, dan zijn mijn broer en zus in de buurt.

De denker Marx heeft mij lange tijd geïnspireerd. Zijn oeuvre is breed. Hij was bezig met politiek, filosofie en sociologie. Van hem heb ik geleerd hoe ik de bronnen van onrechtvaardigheid beter kon begrijpen. Maar verder zijn vooral vrouwen mijn inspiratiebron. Een daarvan is Annette, een romanpersonage uit een romanreeks van de Franse schrijver Roman Roland. Annette raakte ongehuwd zwanger en besloot het kind te houden in een tijd dat dit niet geaccepteerd was. Toch voedde ze haar zoon op tot een man die zijn plek kon vinden in de maatschappij. Ik vond haar besluit en haar strijd zeer moedig en inspirerend. Zij werd mijn rolmodel toen ik 17 jaar was en nog in Iran woonde.
Gedurende de tijdelijke periode van vrijheid, direct na de revolutie, hield een Iraanse vrouwelijke hoogleraar en linkse activist, Homa Nategh, een lezing op de universiteit van Teheran. De grote zaal van de universiteit zat vol maar je kon haar lezing in diverse kleine kamers in het gebouw volgen. Ik zat in één van die kamers en kon haar niet zien maar hoorde wel haar verhaal. Ze inspireerde me zo dat ik toen al wist dat ze het belangrijkste rolmodel zou worden op het gebied van mijn eigen carrière. Het werd mijn droom om ook hoogleraar te worden en veel te gaan schrijven.
Verder is ook een zus van mijn moeder erg belangrijk geweest in mijn leven. Zij keerde in 1979 uit Italië terug toen de revolutie uitbrak en er hoop was op een meer democratische samenleving. Ik zat nog op kostschool maar het ging emotioneel niet goed met me. Mijn tante zag dat en ze haalde me bij haar in huis. Hiermee gaf zij mijn leven een heel nieuwe richting. Zij was het lichtpuntje die ik juist in die zware tijden hard nodig had. Deze tante, die ook politiek actief was, is een paar jaar later opgegeven als vermist. Op alle belangrijke momenten van mijn leven vind ik het moeilijk dat zij er niet bij is.

Staan voor een eigen mening durf ik wel al ben ik in de loop der jaren anders gaan denken over kritiek leveren. Als Marxist deed ik vroeger niet anders dan ingaan tegen de gevestigde orde. Tegelijkertijd was ik weinig kritisch naar de groep bij wie ik politiek hoorde. Voor mij betekent kritiek hebben nu dat ik eerst nadenk waar dat vandaan komt. Kritiek geven om alleen kritisch te zijn vind ik te simplistisch. Ik probeer goed na te denken over mijn standpunten en daarin vind ik belangrijk om mijn onafhankelijkheid te bewaren.
Een paar maanden geleden vond ik het belangrijk dat ik mijn stem liet horen toen Tariq Ramadan, een wetenschapper in dienst van de universiteit van Rotterdam, ontslagen werd omdat hij in een Iraans televisieprogramma was verschenen. Onder het mom van een principiële houding tegen een ieder die heult met het ondemocratische Iraanse bewind, heeft men Ramadan de laan uitgestuurd. Zijn optreden in het Iraanse televisieprogramma was het argument om hem te ontslaan maar in feite ging het om het islamdebat. Daarin neemt hij op sommige punten een andere visie in dan de gevestigde orde hier in Nederland.
Ik vond de gang van zaken erg onrechtvaardig en ik vond dat ik moest protesteren. Dat heb ik ook met een groep mensen gedaan. Ik hoopte toen dat mijn collega´s, als mij dit ooit zou overkomen, ook zouden opstaan om mij te verdedigen.´

Tekst: Halleh Ghorashi
Beeld: Guus Dubbelman

Geplaatst in Huiselijk geweld