Menu Sluiten

James C. Kennedy: we missen kaders om kwesties te beslechten

Prof. James C. Kennedy doceert Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hiernaast schrijft hij wekelijks een column voor het dagblad Trouw. Kennedy, zoon van een Nederlandse moeder en een Amerikaanse vader, is geboren en getogen in de Verenigde Staten. Sinds 2003 woont en werkt hij in Nederland.
De laatste jaren houdt Kennedy zich intensief bezig met de Nederlandse samenleving. Kort geleden verscheen van hem Bezielende verbanden, een bundel essays waarin hij de ‘politieke ontwikkelingen in Nederland analyseert, stilstaat bij de veranderende rol van religie in de samenleving en zich afvraagt in hoeverre Nederland een tolerant en multicultureel land genoemd kan worden’.
Hieronder gaat Kennedy in op de begrippen diversiteit en tolerantie, de positie van vrouwen in Nederland en het nieuwe Nederlanderschap.

In kringen van adviesorganisaties en trainingsbureaus heeft iedereen zijn mond vol van diversiteit. Het trainingsaanbod is overweldigend. Welk concept van diversiteit leeft er in de Nederlandse samenleving?

Het begrip diversiteit in Nederland is geïmporteerd uit de Verenigde Staten. Diversiteit, zoals dat in Nederland leeft, heeft in de eerste plaats te maken met een notie dat mensen van verschillende, voornamelijk etnische achtergronden, in een organisatie aanwezig zijn. Maar diversiteit heeft nog een betekenis, namelijk dat mensen met verschillende zienswijzen deel zijn van de organisatie. Dit laatste concept van diversiteit vind je in Nederland in mindere mate.

Hoe belangrijk is diversiteit in de Verenigde Staten?

‘Diversity’ neemt men in de VS uiterst serieus. Elke organisatie wil in principe op dat punt de toets der kritiek kunnen doorstaan. In Nederland ligt dat anders. Men is er de laatste tijd wel wat mee bezig, men beseft dat het een goede zaak is om de organisatie divers te laten zijn, maar het wordt niet als een absolute eis gezien dat er mensen van verschillende achtergronden vertegenwoordigd zijn.
In de VS is diversiteit actueel geworden als uitvloeisel van de Civil Rights Movement, de beweging die vocht voor gelijke rechten voor Afro-Amerikanen. In eerste instantie was de roep om diversiteit in bedrijven en organisaties ook op deze groep gericht. Men moest op alle werkplekken en organisaties plaatsen gaan vrijhouden voor Afro-Amerikanen. Vanaf de jaren tachtig is ‘diversity’ een gangbaar begrip geworden.
In de Verenigde Staten voldoet een organisatie aan het principe van diversiteit als er mensen van verschillende etnische achtergronden vertegenwoordigd zijn. Hiernaast is de verhouding man-vrouw belangrijk. De religieuze achtergrond van de ander ervaart men in de VS over het algemeen niet als een probleem. Bij etnische en genderidentiteiten ligt dat dus wel anders.

U stelt dat in de VS vrouwen procentueel even zeer vertegenwoordigd zijn als mannen.

Dit is zeker het geval in het universitaire milieu. In Nederland ligt dat anders. Dit verschil met de VS komt deels voort uit de houding van Amerikaanse hoogleraren t.o.v. de maatschappij. In de Verenigde Staten zijn, zeker in de geesteswetenschappen, maar ook in de gamma-afdelingen, hoogleraren doorgaans betrekkelijk radicaal. Ze staan vrij kritisch tegenover de samenleving en zijn constant bezig aan te geven waar, volgens hen, de misstanden zitten. Ze jagen het debat aan. Vanzelfsprekend vloeit hieruit voort dat juist binnen deze kring de positie van vrouwen gewaarborgd is.
Het Nederlandse academische klimaat is anders. Nederlandse academici hebben een andere verhouding met de samenleving. In tegenstelling tot hun Amerikaanse collega´s hebben ze niet de behoefte om zo duidelijk stelling te nemen tegen misstanden in de maatschappij.

En hoe kijkt u nu tegen dit verschil aan?

Die radicale houding van Amerikaanse academici levert niet altijd wat op. Nederlandse academici zijn vaak bereid zitting te nemen in ministeriële commissies en in organisaties op bestuurlijk niveau en daarin functioneren ze coöperatief. In dat opzicht is de afstand in Nederland tussen samenleving en universiteit klein. Dat kan positieve kanten hebben. Maar het kan ook betekenen dat er gebrek is aan visie, aan lef en overtuiging. Soms mis ik aan Nederlandse universiteiten een intellectuele en morele zelfstandigheid. Nederlandse universiteiten jagen ook minder het debat aan in de samenleving. Er is evenmin een collectieve identiteit onder academici die maakt dat men het ook voelt als noodzaak, als plicht.

Verklaart dit de positie van vrouwen binnen de Nederlandse academische wereld?

Het aantal vrouwen aan de universiteiten in Nederland is lange tijd heel gering geweest. Het is nog steeds niet iets wat een hoge prioriteit lijkt te hebben. Er was een lange periode, wereldwijd, waarin de academische wereld niet stond te wachten op vrouwen. Vrouwen waren er een uitzondering en als ze maar een minderheid bleven, waren ze welkom, maar de universiteiten moesten wel een mannenwereld blijven. In de tweede helft van de twintigste eeuw veranderde dat. Er zijn nu veel meer vrouwen op academische functies. Toch valt me op dat er hier nauwelijks een ideologische strijd is om er vaart achter te zetten dat er een gelijke bezetting komt. Men voelt zich niet ongemakkelijk bij het feit dat vrouwen nog steeds in de minderheid zijn. De norm, zoals die leeft aan Amerikaanse universiteiten, dat de helft van de academici een vrouw moet zijn, bestaat hier niet. In de VS heb je het niet goed gedaan als universiteit als je dat percentage niet haalt.

Om terug te komen op het begrip diversiteit. Hoe ziet u de relatie tussen diversiteit en pluraliteit?

Sinds kort zit ik in een project ‘Diversiteit’ dat als taak heeft na te gaan hoe je pluraliteit kunt organiseren in Nederland. Het antwoord daarop heb ik dus nog niet, maar ik ben er zelf ook erg benieuwd naar. Over een jaar of twee hoop ik er meer van te weten. Deels gaat het er natuurlijk om de juiste toon en omgangsvormen te vinden met de verschillende mensen binnen je organisatie. Hoe ga je effectief met iedereen om. Diversiteit brengen in de organisatie kan ook betekenen, dat je van mening bent dat de eigen organisatie gebaat is bij het toelaten van mensen, die andere denkbeelden en zienswijzen hebben over hoe het bedrijf in elkaar zou moeten steken. Het zou dan niet alleen gaan om medewerkers die een andere etnische achtergrond hebben, maar ook om mensen uit een andere sociaal-economische of religieuze groep. Wanneer een organisatie op deze punten divers is, blijkt dat in de praktijk vaak goed uit te pakken. Dat is inmiddels voldoende bekend.
In het Nederlandse bedrijfsleven staat men hier ook meer open voor, maar in de publieke sector wordt nog weinig in die termen gedacht. Kort geleden was er een enquête waarin gekeken werd naar de afkomst van 850 topambtenaren bij ministeries. Slechts enkele topambtenaren bleken van allochtone afkomst. Ook het aantal vrouwen was klein.

Hoe komt het toch dat er hierin zo weinig verandert?

Als het gaat om beheer en bestuur van organisaties, vindt men in Nederland dat men het prima voor elkaar heeft. Als er mensen van buiten toegelaten zouden worden, dan ervaart men dat als een bedreiging voor de uitstekende verhoudingen die onderling zijn opgebouwd en die hun nut hebben bewezen. Er is in Nederland een cultuur van risicomijdend gedrag. Je zou zelfs kunnen zeggen dat er sprake is van een zekere zelfgenoegzaamheid. We hebben het onderling goed voor elkaar, denkt men, en onze goede resultaten kunnen alleen ondermijnd worden als we mensen toelaten die niet echt tot onze groep behoren. Zo wordt er aangekeken tegen mensen met een andere etniciteit, maar ook tegen vrouwen. Tegen een andere etniciteit is misschien wel meer weerstand dan tegen vrouwen.

Vrouwen participeren ook nog steeds niet volledig in het arbeidsproces en ze zitten nog nauwelijks in besturen.

In Nederland bestaat een lange traditie van parttime werken onder vrouwen. Emancipatie betekent voor een Nederlandse vrouw dat ze mag kiezen hoe ze haar leven vorm geeft. In de Verenigde Staten verstaan vrouwen onder emancipatie dat ze geen enkele belemmering meer hebben op de werkvloer en dat ze al hun talenten kunnen ontplooien.

Waar komt dit verschil vandaan?

De Amerikaanse opvatting van emancipatie past in een cultuur waar arbeid een belangrijke maatstaf is voor je gevoel van eigenwaarde. In Amerika is een baan hebben essentieel. De rest is secundair. In Nederland moet je wel beetje werken maar het is ook heel belangrijk om vrije tijd te hebben en die goed te benutten. Gezin en familie zijn belangrijk en dan met name de stabiliteit die dat oplevert. Vijftig jaar geleden noemde men het gezin de hoeksteen van de samenleving en die opvatting leeft nog steeds.

Hoe ervaart u zelf in Nederland de man-vrouw verhoudingen?

Het is moeilijk voor iemand uit Amerika om goed zicht te krijgen op de genderverhoudingen in Nederland. Spanningsvelden zoals ik die kende in de VS, lijken hier afwezig. Ik hoef me hier bijvoorbeeld minder zorgen te maken dat mijn taalgebruik over of tegenover vrouwen incorrect zou zijn. In de VS vraag ik me af of ik de deur voor een vrouw moet openhouden. Hier niet. Als hoogleraar zal ik in de VS nooit de deur dichtdoen als een vrouwelijke student bij mij op de kamer zit. In de VS moet ik als weldenkend intellectueel voortdurend bezig zijn met hoe ik me gedraag ten opzichte van vrouwen. Hier in Nederland lijkt dit conflict afwezig.

Dus het is hier allemaal veel meer ontspannen?

Je komt dit land binnen en alle spanningsvelden lijken weg te vallen. Je hoort ook betrekkelijk weinig over de strijd voor gelijkheid. Die hele politieke emancipatiestrijd voor vrouwen lijkt hier niet te spelen. Het lijkt alsof alles hier in orde is. Natuurlijk weet je dat het niet zo is. Maar Nederland is geen politieke samenleving, waar men bereid is om in de bres te springen voor grondrechten. Ook al leeft Nederland op dit moment in een periode van polarisatie, het betekent nog niet dat er grote politieke debatten worden ontketend. Dat is dus het grote verschil tussen Nederland en de VS. In Nederland denkt men niet in politieke termen over de samenleving. Mensen nemen zaken hier gemoedelijker op. Het lijkt alsof ze het allemaal niet zo belangrijk vinden. De strijd voor vrouwenemancipatie lijkt in ieder geval veel minder vurig en minder principieel.

Maar veel is dus niet in orde?

Onder de rustige oppervlakte zijn er wel misstanden. Zo zijn er op de universiteiten schrijnende voorbeelden van misbruik van studentes door met name oudere docenten. Dat duurt maar voort want er is hier minder een sfeer dat er een klacht wordt ingediend. Studenten reageren daar met een zekere gelatenheid op.

Een ander conflict in Nederland is het feit dat het een multicultureel land is geworden. Sommigen kunnen daar heel moeilijk mee omgaan. Anderen roepen om tolerantie.

Tolerantie als modus vivendi, als een manier om met souplesse om te gaan met mensen wier denkbeelden en handelen jouw afkeer van nature oproepen, vind ik helemaal niet verkeerd. Die onverschilligheid heeft ook een verdienste: ik parkeer mijn afkeer. Idealiter is een oprechte belangstelling voor wat een ander denkt of doet beter, zonder dat je daarbij alles even goed vindt. Dat is eigenlijk pas echte tolerantie.

En hoe tolerant is dan de Nederlandse samenleving?

De toonaangevende groep zegt dat Nederland een verlichte samenleving is en wat dat inhoudt, is al bepaald. Nieuwkomers moeten zich maar aanpassen. Maar als een samenleving echt tolerant is, dan zou een discussie over bijvoorbeeld de hoofddoek niet eens gevoerd worden. Tolerantie heeft zijn waarde als een oproep aan jezelf om een zekere terughoudendheid te betrachten. De oproep tot tolerantie heeft alleen betekenis als die aan jezelf is gericht. Niet aan de ander. Want wat is daar tolerant aan? U moet meer tolerant zijn, roep je dan. Het mooiste van tolerantie is als het de vorm heeft van zelfreflectie, zelfondervraging.

Maar waarom overheerst juist de eerste visie?

Nederland was vroeger een land van alleen minderheden: je had de protestanten en de katholieken, socialisten en liberalen. Je was steeds bezig een modus vivendi te vinden om met elkaar te kunnen leven. Je hield rekening met de ander. Maar de samenleving is ontzuild. De kerken zijn weggevallen en er is nog meer gebeurd. Er zijn grote groepen hierheen verhuisd en de globalisering heeft zijn intrede gedaan. Je ziet dat men het even niet meer weet. Er is een identiteitscrisis ontstaan.

En wat houdt die in?

Men vraagt zich in Nederland af wie men nog is. Het debat gaat erom wie de Nederlander nou eigenlijk is en hoe Nederlanders ervoor kunnen zorgen dat ze er over 20 jaar nog zijn. Mensen krijgen in het licht hiervan nu ook meer behoefte aan normen. Ik probeer als wetenschapper mild te zijn over dit proces. Maar het debat dat hierover gevoerd wordt, heeft eigenaardige trekken. Je ziet ook dat er nu een sterke nadruk gelegd wordt op integratie en sociale cohesie. Elke samenleving heeft beide aspecten in een zekere mate nodig, maar nu worden ze in hoge mate beklemtoond, omdat er een gevoel is dat de burgers van dit land te weinig met elkaar hebben. Daarom moeten mensen zich nu maar conformeren aan een norm. Het zijn natuurlijk niet de welvarende, witte Nederlanders die dat moeten doen en die zullen zich ook niet aangesproken voelen. Het is gericht tegen lager geschoolden en migranten.

Maar zijn normen zo verkeerd?

Het is niet erg om normerend te zijn. Elke samenleving heeft dat nodig. Maar wat je ziet, is dat er geen oog is voor verschillende overtuigingen. Wat Nederlanderschap in de toekomst zal betekenen, kan niet mede worden bepaald door bijvoorbeeld mensen van Marokkaanse afkomst als ze die afkomst daarin meenemen. De identiteit van migranten kan niet bijdragen aan het Nederlanderschap.

Waar merkt u dat aan?

Neem maar de inburgeringstoetsen. Die hebben voor een belangrijk deel te maken met de mores van Nederland, minder met staatkundige kennis. Men vraagt naar de mening over propere tuinen, homofilie en topless zonnen en verwacht bepaalde antwoorden. Er zit hier iets heel dwingends in. De essentie van wat het Nederlanderschap inhoudt, gaat dus om het ontwikkelen van sociale kennis, om het leren kennen van de mores van dit land. Nederland is een dwingende samenleving en zonder dat het altijd wordt geëxpliciteerd, is er een hoog verwachtingspatroon over hoe je je hoort te gedragen.

Wat is er nodig om weer rust te creëren in dit land?

De problemen waar de Nederlandse samenleving mee te maken heeft, namelijk die van de ontzuiling, de migratie en de vrouwenemancipatie, zullen niet gemakkelijk worden opgelost. Er zijn namelijk geen kaders meer om op terug te vallen bij het oplossen van conflicten. Religieuze kaders spelen geen rol meer. Politieke kaders bieden weinig houvast. Het enige wat over blijft zijn wetten. Daar hebben Nederlanders historisch gezien, niet zo´n hoge achting voor. Zelden hoor je in Nederland iemand zeggen dat iets tegen de wet in gaat. Er is in dat opzicht geen loyaliteit aan de wet. Men eist in Nederland vrijheid binnen de wetgeving. Als men de doelmatigheid van een wet niet ziet, laat men die vallen.
Heb je als samenleving dus noch een religieus of politiek kader om kwesties te beslechten en ook geen sterke binding aan de wetgeving, dan ben je slechts overgeleverd aan het gevoel dat je wederzijdse verplichtingen aan elkaar hebt. Het is misschien onder deze omstandigheden wel begrijpelijk dat in een inburgeringsexamen sociale normen en waarden zo belangrijk worden dat er bijna alleen maar daarnaar wordt gevraagd.

Opgetekend door Henna Goudzand Nahar

James C. Kennedy. Bezielende Verbanden: Gedachten over religie, politiek en maatschappij in het moderne Nederland.
Bert Bakker, Amsterdam, 2009, 300 blz.

Geplaatst in Huiselijk geweld