Menu Sluiten

De emancipatiegraad van Ernestine Comvalius

“Ik ben al 12 jaar de directeur van Krater Theater en sinds vorig jaar de directeur van het Bijlmerparktheater. Het is bij elkaar een drukke baan. Kort geleden merkte ik aan mijn lichaam dat ik wat gas terug moest nemen. Ik heb namelijk nog een gezin. Mijn oudste dochter van 33 jaar uit mijn eerste huwelijk – ik was 21 jaar toen ze werd geboren – woont al heel lang op zichzelf, maar mijn jongste dochter van zeventien, uit mijn tweede huwelijk, zit nog op de middelbare school. Dat vraagt het nodige, ook al is haar vader, mijn huidige man dus, erg betrokken bij de opvoeding.

Over mijn verleden? Ik ben als kind van negen in mijn eentje op het vliegtuig gezet naar Nederland. Mijn moeder woonde hier toen al een jaar of zeven. Zij was net twintig toen ze ongehuwd moeder werd. Twee jaar later verliet ze Suriname om in Nederland te gaan studeren. Zij en ik woonden in bij haar ouders en die namen verder mijn opvoeding over. Het vertrek van mijn moeder, dat ontdekte ik de afgelopen jaren, is wel erg ingrijpend geweest in mijn leven. Ik kan me het niet precies meer herinneren maar wat ik nog wel weet, is dat ik altijd op zoek was naar haar gezicht in andere mensen. Zo gauw iemand een beetje op haar leek noemde ik die persoon mama. Ik had dus een heleboel mama´s als kleuter. Mijn familie vertelde me later dat ik na haar vertrek met kleren van haar rondsjouwde. Ik zocht haar overal, zelfs in kasten. Toen ik een keertje bijna van de trap viel door al die kleren die ik achter me aan sleepte, heeft de familie ze van mij afgenomen. Afscheid nemen is een levensthema van mij.

Mijn grootvader stierf toen ik zes jaar oud was. De oudste zus van mijn moeder, die ook bij mijn grootouders in huis woonde en aan wie ik me vastklampte na het vertrek van mijn eigen moeder, verliet Suriname toen ik drieëneenhalf jaar was. Daar heb ik nog steeds beelden van. Ik zie nog de boot waarmee zij en haar dochter weggingen. Ik noemde haar mama Ine.

Als kind had ik het niet makkelijk in Suriname. Alle nichtjes en neefjes om mij heen, ook al woonden ze soms tijdelijk bij mijn grootmoeder in, wisten wie hun vader en moeder waren en hadden een van de ouders in de buurt. Ik niet. Ik kende mijn vader niet en verlangde naar mijn moeder. Dat maakte dat ik het niet erg vond om naar Nederland te gaan. Ik hoopte dat deel van me te leren kennen.
Mijn omgeving probeerde mij voor te bereiden op het nieuwe land. Zo kreeg ik van buren een maaltijd met gekookte aardappels om me te laten zien wat er in Nederland werd gegeten. Via kinderliedjes uit Nederland, die ik op de radio hoorde, probeerde ik te wennen aan het Nederlandse accent.

Ik kwam vol verwachting in 1964 in Nederland aan. Tussen mijn tweede en negende had ik mijn moeder niet meer gezien. Mijn moeder was inmiddels getrouwd met een Nederlander en ze woonden in de omgeving van Rotterdam. Zwarte mensen waren er toen nauwelijks in Nederland. Op school was er een enkele Indische Nederlander en dat was het dan.
De relatie met mijn moeder was al gauw moeizaam. Nu heb ik een goede relatie met haar maar toen ik hier pas was, lukte het niet tussen ons. Mijn moeder was gericht op haar huwelijk. Ze had net een kind met haar nieuwe man. Ik kwam het nieuwe gezin een beetje ´verstoren´, zo voelde het. Ze wilde dat ik me zo gauw mogelijk zou aanpassen aan het nieuwe land, iets wat zij toen zelf volledig had gedaan. Om maar een voorbeeld te geven: in Suriname at ik, als zo velen, alleen harde pistoletjes, zgn. puntbroodjes, en daar gebruikte je geen mes en vork bij. Bij mijn moeder kreeg ik opeens sneetjes brood en het stoorde haar dat ik niet meteen vaardig was in het gebruik van bestek, vermoedelijk uit angst dat haar man dat vreemd zou vinden. Ik werd op meerdere fronten afgerekend op mijn andere culturele achtergrond, bijvoorbeeld het feit dat men in Suriname, om het maar weer over eten te hebben, niet zo strikt omgaat met de momenten waarop je eet. Je pakt iets als je trek hebt. Dat is daar de gewoonte, maar dat was er opeens niet meer bij.
Mijn moeder wilde, naar mijn mening, zich bewijzen aan haar man. Voor iemand van mijn leeftijd toen, leidde dat er alleen maar toe dat ik de kont tegen de krib gooide. Gelukkig was er mama Ine, de oudste zus van mijn moeder, op bereikbare afstand. Zij woonde met haar dochter in Den Haag. Als het me allemaal teveel werd, pakte ik mijn fiets en reed naar ze toe. Daar kon ik me weer laven aan de Surinaamse cultuur.
Positief bij mijn moeder was dat ze als neerlandica erg geïnteresseerd was in literatuur en die liefde heeft ze zeker op mij overgebracht.

Op mijn veertiende, in 1969, vertrok ik met de zus van mijn moeder, mama Ine, en haar dochter naar New York. Thuis ging het niet meer. In Amerika zat een tante, Nadia Comvalius, de eerste zwarte vrouw die als arts afgestudeerd is aan de universiteit van Utrecht. In Amerika had ze zich gespecialiseerd tot gynaecoloog. De jaren bij mijn tante Nadia werden jaren van liefde en rust. Mijn moeder komt uit een gezin van negen kinderen en er zaten al meerdere kinderen uit het gezin in Amerika.
In heb in totaal drie jaar in Amerika gewoond, de tijd waarin de Black Panther beweging op zijn hoogtepunt was. Voor mijn familie en mij was de situatie gespleten. Door de positie van mijn tante als medisch specialist woonden wij in een erg chique wijk, maar we waren wel de enige zwarte familie. Achteraf pas hoorde mijn tante dat de buurt erover had vergaderd of ze er mocht komen wonen.

Ik had in Nederland wel wat discriminatie ervaren. Hoewel ik vrij rustig was, timmerde ik er in het begin op los, wanneer ik gediscrimineerd werd. Door die ervaring ben ik me op twaalfjarige leeftijd gaan afvragen wat het zwart-zijn en het Surinamer-zijn voor mij betekenden. Toch was ik niet echt voorbereid op de situatie in Amerika waar op dat moment het gevecht rond het verkrijgen van burgerrechten door de zwarte bevolking in alle hevigheid plaatsvond. Het intrigeerde mij en mijn nicht wel meteen. Het was de tijd dat men op zoek was naar Angela Davis. We zaten op een school die 60% wit en 40% zwart was. Overal werd je geconfronteerd met de strijd om burgerrechten. Mijn familie in Amerika wilde dat mijn nichtje en ik ons afsloten voor de situatie, maar dat konden wij niet. Een migrantenfamilie is immers vaak extra bang. Dat is iets universeels. Je snapt die samenleving niet helemaal en schermt je er daarom voor af. De situatie was toen ook erg bedreigend in Amerika. Elke zwarte die zich inliet met de strijd, kon rekenen op erg veel weerstand van de autoriteiten. Maar mijn nicht en ik gingen stiekem naar bijeenkomsten van de Black Panthers en The Young Lords, de strijders uit Puertoricaanse kringen voor gelijke rechten.

Eenmaal terug in Nederland was ik een militante zwarte. Ik was op mijn hoede. Maar dat was hier gelukkig niet nodig op die manier en langzaam ebde dat gevoel weg. Ik ging studeren in Utrecht. Met mijn moeder waren er nog wel wat ´issues´. De vraag naar wie mijn vader was, wilde zij niet beantwoorden. Een vreemde ervaring had ik in Amerika toen ik een keertje China Town inliep met een grote afro als van Angela Davis. Een Chinese man die mij zag herkende Chinese trekken in mij en riep: “She Chinese, She Chinese”. Later hoorde ik ook dat mijn vader iemand van Creools-Chinese afkomst was.

Ik heb natuurlijk het geluk gehad dat de zussen van mijn moeder er altijd voor me zijn geweest. Ze wonen nog in Amerika maar ik heb veel contact met ze. Wekelijks bellen we en ik ga er jaarlijks heen. Toen ik mijn eigen leven in handen nam en me ging bezighouden met poëzie, kon ik het verleden met mijn moeder ook loslaten. Ik ben nu zelf moeder en ik weet uit ervaring dat het veel zelfkennis vraagt maar ook veel liefde om een kind te kunnen opvoeden.

Studeren en werken zijn twee zaken die ik gedaan heb en nog doe en wat voor mij vanzelfsprekend is. Dat is het voorbeeld dat ik gekregen heb van de vrouwen die mij hebben opgevoed. Ik heb sociale wetenschappen gedaan met als bijvakken psychologie, theater en creatieve expressie. Schrijven is voor mij heel belangrijk. Al als kind hield ik dagboeken bij. Als ik mijn ervaringen en gedachten niet opschrijf heb ik het gevoel alsof ik niet leef. Het is ook mijn manier om te groeien in het leven. De laatste tijd is die behoefte weliswaar minder. Vroeger trad ik vaak op met mijn poëzie maar de laatste tijd, als directeur van het Bijlmerparktheater, vind ik het ingewikkeld om het leidinggeven te combineren met eigen optredens. Nu creëer ik meer een podium voor anderen.

Al als jonge vrouw was ik actief binnen de vrouwenbeweging. We hadden in Utrecht een bond van Surinaamse vrouwen die het blad Sisa uitgaf. We zochten aansluiting bij de Nederlandse vrouwenbeweging maar wij verschilden nogal van elkaar en vonden andere thema’s belangrijk. We zijn nooit tegen mannen geweest en lieten mannen toe op onze bijeenkomsten. Gelukkig is dat tegenwoordig ook in autochtone kringen het geval.

Als 21-jarige student raakte ik zwanger en ging trouwen. In dat huwelijk is het nodige gebeurd. Onze oudste dochter was een gezond kind maar we kregen daarna 2 zonen die beiden zijn overleden. De oudste na zes maanden, de tweede vrij snel na de geboorte. Ons huwelijk is stuk gelopen. Ik denk dat we elkaar niet goed hebben kunnen steunen in dit verdriet. Daarna had ik de grootste zorg voor onze dochter omdat zij liever op één plaats woonde. In de periode dat ik alleenstaande moeder was kon ik rekenen op een hechte groep vrienden die over en weer zorgtaken rond kinderen met elkaar deelden.

Over de twee zonen die ik verloren heb, praat ik zelden. Verlies hoort bij mijn leven. In de situatie waarin je als migrant daarmee te krijgen hebt, merk je dat je vangnet vaak erg klein is. Je familie zit ver weg. Daarom voelde ik me ook geroepen om bij de vliegramp van Suriname in 1989 samen met enkele hechte vrienden een comité op te richten voor de nabestaanden omdat je weet hoe is het is bij groot verdriet alleen te staan.

Midden jaren tachtig richtten Nadia Tilon en ik in Utrecht de theatergroep Makandra (Samen) op. We maakten theater gericht op actuele vraagstukken o.a. rond vrouwenemancipatie, migratie, de achterstelling van onze kinderen in het onderwijs. We reisden door het hele land met onze voorstellingen.
Later werkte ik bij Press Emancipatie Bureau, een organisatie die zich bezighield met de emancipatie van vrouwen. Zo schreven we beleidsstukken voor de overheid over de emancipatie op het gebied van arbeid en huisvesting. Toen de provincie de emancipatie als voltooid verklaarde, werd Press Emancipatie Bureau opgeheven. Ik woonde toen al in Amsterdam Zuid-Oost. Nog voor het afscheid van mijn vorige baan werd ik in de functie van manageraangenomen bij Krater Theater.

Vanaf 1991 wonen mijn huidige man en ik samen in Amsterdam Zuid-Oost waar ik dus ook werk. Mijn man komt uit een erg vooruitstrevende Molukse familie. Zelf is hij geboren in het concentratiekamp Westerbork. Zijn familie staat erg open voor andere culturen. Ik ervaar mijn schoonfamilie als een warm bad. Mijn man is zeer geëmancipeerd. Hij kookt, maakt schoon, kortom hij neemt volledig deel aan het huishouden. Misschien doet mijn man inmiddels wel meer in het huis dan ik. Ik houd me meer bezig met de school van onze dochter.

Mijn man en ik werken beiden voltijds maar we zijn daarnaast maatschappelijk actief. Mijn man heeft een ouderensoos opgericht voor mensen in de Bijlmer van Aziatische afkomst. De behoefte aan zo´n instituut bleek enorm. Daarnaast zit hij ook nog in het 4 mei comité van Amsterdam Zuid-Oost.
Ik vind het prettig dat mijn man en ik op dezelfde manier in het leven staan. We zijn beiden betrokken bij de samenleving en dat maakt dat we elkaar daarin begrijpen en kunnen ondersteunen. Een carrièreplanner ben ik niet. Ik ben van het een in het ander gerold, was niet gericht op status of een hoog inkomen. Ik koos pas voor een directiefunctie toen ik besefte dat ik wilde bewijzen dat managing diversity binnen een organisatie, mogelijk is en succesvol kan zijn.

Het Bijlmer Parktheater is ontstaan omdat verschillende culturele organisaties het beu waren om in slechte accommodaties te bivakkeren en hun voorstellingen en producties te moeten presenteren in slecht geoutilleerde buurtcentra. Ik heb me samen met enkele collega-instellingen ingezet voor een professioneel gebouw waarin de voorstellingen tot hun recht kunnen komen. De partnerorganisaties hebben mij voorgedragen voor het directeurschap.

Ik heb als vrouw, als zwarte vrouw, het geluk gehad dat de vrouwen om mij heen zich maatschappelijk wilden ontwikkelen en dat zij mijn voorbeeld zijn geweest. Zoals ik al zei heb ik me het nooit afgevraagd of ik zou studeren en werken. Dat was een vanzelfsprekendheid want iedereen om me heen deed dat.

Als zwarte vrouw merk je bij vergaderingen met veel witte mannen dat je niet altijd serieus wordt genomen. Dat is wel eens lastig maar ik laat me niet kisten. Ik kom vriendelijk over en ben goed in het creëren van een aangename sfeer. Daardoor lukt het me soms om de angel uit een vergadering te halen”.

Opgetekend door Henna Goudzand Nahar
Beeld: Achmet Peroti

Geplaatst inVrouwelijke seksualiteit