Menu Sluiten

Het aanmaken en afbreken van vetcellen

Tommy Visscher is als onderzoeker verbonden aan het Onderzoekscentrum Preventie Overgewicht Zwolle van de Christelijke Hogeschool Windesheim en de Vrije Universiteit. Hij is gepromoveerd op de gevolgen van obesitas op de volksgezondheid, heeft meegewerkt aan richtlijnen voor preventie en behandeling van obesitas en leidt nu onderzoek naar preventie en zorg van overgewicht en obesitas.

Wanneer worden er vetcellen aangemaakt en wat zijn dat precies?

Obesitas is een ziekte waarbij sprake is van een toegenomen grootte en aantal van vetcellen. Vetcellen bestaan voor het overgrote deel uit vet en zijn goed in het opslaan van energie. Probleem is dat te grote vetcellen te veel schadelijke hormonen uitscheiden die een verhoogd risico opleveren voor het ontstaan van suikerziekte, hart- en vaatziekten en diverse vormen van kanker. Het aantal vetcellen stijgt het snelst tijdens de kinder- en puberleeftijd, maar kan ook op volwassen leeftijd nog verder toenemen wanneer er sprake is van ernstige obesitas.

Kunnen die ook weer verdwijnen?

Men gaat er vanuit dat het aantal vetcellen op volwassen leeftijd niet kan afnemen, ook niet bij flinke gewichtsdaling. De grootte van de vetcellen kan wel worden beïnvloed: als men meer energie verbruikt (door ondermeer bewegen) dan men tot zich neemt (door voeding), zullen vetcellen minder vet als energie opslaan en dus kleiner worden. Andersom is het ook zo: als men meer energie tot zich neemt dan dat men verbruikt, zullen de vetcellen weer groter worden.

Heeft aanleg een belangrijke rol bij het opslaan van vet?

Aanleg speelt een belangrijke rol. Eigenlijk hebben we allemaal een aanleg om efficiënt energie op te slaan. Onze voorouders, een jagersvolk, moesten wel. Als er sprake was van voldoende voedsel moest het lichaam de energie wel efficiënt opslaan om tijdens tijden van schaarste te kunnen overleven. Nu zijn we nog steeds heel goed in het opslaan van energie, maar is er voor de meeste mensen in onze maatschappij geen schaarste meer. Het wordt wel heel makkelijk gemaakt om te veel te eten en overigens ook om te weinig te bewegen. Een dergelijke omgeving noemen we ‘obesogeen’. Wat mij betreft is de toename in obesitas dan ook geen gevolg van abnormaal gedrag in een normale omgeving, maar een gevolg van normaal gedrag in een abnormale omgeving.

Sommige mensen met overgewicht beweren dat dit gekomen is door hun ouders die hen als kind dwongen om het bordje leeg te eten, uiteraard tegen de eetbehoefte van dat moment in. In hoeverre klopt dit?

Het is moeilijk om hier een antwoord te geven dat voor elke ouder en elk kindje geldt. Over het algemeen zijn voedingsexperts en opvoedkundigen tegenwoordig van mening dat dwangmatig voeden niet verstandig is. Eten moet voor het kind geen straf zijn, het is verstandiger als kinderen plezier hebben in gezond eten. Ik geef graag een tip als ouder: maak er een feestje van: onze kinderen zijn dol op groene frietjes: sperciebonen.

Wat is er bekend over het eetgedrag van de zwangere moeder op het latere lichaamsgewicht van het kind?

Uit onderzoek weten we dat ouders al heel vroeg een rol kunnen hebben. Moeders die gevarieerde maaltijden gebruiken tijdens de zwangerschap, krijgen kinderen die over het algemeen voor veel verschillende, gezonde smaken openstaan. Wat nog belangrijker lijkt, is dat moeders vooral worden gestimuleerd om borstvoeding te geven. Interessante hypothese is namelijk dat kinderen die borstvoeding krijgen zelf heel goed kunnen aangeven dat ze genoeg gedronken hebben. Bij flesvoeding hebben ouders vaak de neiging om hun kindje de hele fles leeg te laten drinken. Er zijn overigens een hoop andere redenen dan obesitas te noemen om borstvoeding te stimuleren en het geven ervan mogelijk te maken.

Tekst: Tommy Visscher
Beeld: Foto van keramiek van designer Aart Roelandt

Geplaatst inOvergewicht en ondergewicht