Menu Sluiten

ZWAARLIJVIGHEID: een vraagstuk van buitengewone proporties

‘When in doubt, add bacon and cheese to it’. Dat is volgens Dr. David Kessler de grap die men in de voedselindustrie maakt: als je twijfelt aan de smaak van je product, voeg er dan spek (bacon) en kaas aan toe. Dr. Kessler is het voormalig hoofd van de FDA, de Food and Drug Administration in de Verenigde Staten. De FDA is een federaal bureau dat onder andere voedselproducten, medicijnen en medische producten controleert om zo te garanderen dat zij geen gevaar opleveren voor de gezondheid van de bevolking. Hij is van mening dat de voedselindustrie in de Verenigde Staten er voor gezorgd heeft dat dit land kampt met wat in brede kring gezien wordt als een van de belangrijkste problemen van de openbare gezondheidszorg: zwaarlijvigheid (1).

Zwaarlijvigheid

Zwaarlijvigheid wordt berekend aan de hand van de Body Mass Index (BMI): het lichaamsgewicht in kilogram, gedeeld door de lichaamslengte in meters in het kwadraat. Een persoon met een BMI van meer dan 25.0 kg/m2 wordt beschouwd als te zwaar (overgewicht); een BMI van meer dan 30,0 kg/m2 wordt beschouwd als zwaarlijvig (obesitas). Dit getal wordt berekend enkel op basis van je lichaamsgewicht en je lichaamslengte (2). Critici menen dat de BMI waardevol is voor het maken van generalisaties over groepen van mensen, bv voor het classificeren van mensen als te licht, normaal, te zwaar en zwaarlijvig. Maar aan het nut van deze berekening bij individuen wordt getwijfeld, onder andere omdat de index geen lichaamsvet meet en ook geen onderscheid maakt tussen spier- en vetweefsel. Hierdoor kunnen de resultaten een onjuiste beoordeling kunnen geven. Zo zal iemand met veel spieren vanwege intensieve lichaamstrainingen zwaarder zijn dan iemand met veel lichaamsvet, omdat spieren 15% meer wegen dan vetweefsel. Dit betekent niet dat de persoon te zwaar is of zwaarlijvig is (3).
Het National Heart Lung and Blood Institute, een onderdeel van het U.S. Departement voor Gezondheid, adviseert dan ook om drie factoren in overweging te nemen bij het vaststellen van mogelijk overgewicht, namelijk: de BMI, de omvang van het middel en bepaalde risicofactoren, zoals bijvoorbeeld hoge bloeddruk, weinig of geen lichamelijk activiteit, hoog slecht cholesterol, laag goed cholesterol en rookgewoonte.
Afhankelijk van deze drie factoren kan beter bepaald worden of het individu aan gewichtsverlies moet doen, en of hij/zij een grotere kans loopt op hartziekten en andere kwalen (4).

Omvang en gevolgen van zwaarlijvigheid

Amerikanen worden steeds dikker. Volgens een rapport van het Center for Disease Control and Prevention in de Verenigde Staten (CDC) waren in 2009 iets meer dan één op de vier Amerikanen zwaarlijvig en is sinds 2007 het aantal zwaarlijvige personen met 2,4 miljoen toegenomen. Non-Hispanic zwarte vrouwen hadden het hoogste percentage: 41,9%. Over het algemeen was de kans op zwaarlijvigheid onder zwarten en Hispanics groter dan onder witte mensen. En hoe meer onderwijs men had genoten, des te geringer de kans op overgewicht of zwaarlijvigheid. Medische kosten in verband met zwaarlijvigheid worden geschat op 147 miljard US dollar per jaar. Volgens de CDC-directeur, Dr. Thomas Frieden, zullen steeds meer mensen ziek worden en sterven vanwege complicaties door zwaarlijvigheid, zoals hartziekten, beroertes, diabetes en kanker. Onderzoekers schrijven de toename van zwaarlijvige personen toe aan te weinig lichaamsbeweging en te veel verkeerde voeding, zoals weinig vruchten en groente en te veel calorierijke maaltijden vol suiker en vet. (5)
Wat zijn de oorzaken van het probleem van zwaarlijvigheid? Sommigen menen dat het een kwestie is van onvermogen en zelfs onwil van het individu. Het is een gewoonte geworden om maar de hele dag op de bank te zitten en tv te kijken en alleen maar calorierijk voedsel te eten en te drinken met veel suiker. Een gezond dieet volgen en letten op je gewicht worden als een persoonlijke verantwoordelijkheid gezien. Alhoewel in sommige gevallen zwaarlijvigheid inderdaad vooral het gevolg is van slechte keuzen die het individu maakt, geeft het overgrote deel van de studies aan dat men de oorzaken van de toename van zwaarlijvigheid onder de bevolking eerder moet zoeken in maatschappelijke factoren.

‘The Bigger the Better’: de voedselindustrie en zwaarlijvigheid

De rol van met name de “fast food” industrie is in de toename van zwaarlijvigheid niet te onderschatten. In de eerste plaats kun je overal voor fast food terecht. Bovendien kan dat ook nog eens de hele dag, de hele week, 24/7. In Fast Food Nation beschrijft Eric Schlosser hoe fast food in elk hoekje en in elk gat van de Verenigde Staten te verkrijgen is. Fast food wordt geserveerd in restaurants, ‘drive-throughs’, stadions, dierentuinen, lagere en middelbare scholen, universiteiten, cruiseschepen, treinen, luchthavens, supermarkten, pompstations, en zelfs in cafetaria’s van ziekenhuizen. In 1970 gaven Amerikanen ongeveer 6 miljard dollars uit aan fast food en in 2000 was dat toegenomen tot 110 miljard dollars. Er wordt nu meer geld uitgegeven aan fast food dan aan hoger onderwijs, PC’s, computersoftware of nieuwe auto’s. Meer dan aan films, boeken, tijdschriften, kranten, video’s en cd’s tezamen. Aldus Eric Schlosser (6).
Fast food is ook lekker: het eten wordt met bepaalde smaakmakers bereid, vandaar de grap die volgens Dr. Kessler in de voedselindustrie wordt gehanteerd.  Hij stelt dat de voedselindustrie heeft ontdekt dat vet, suiker en zout ons er toe brengen om steeds meer te eten. Dus begonnen ze producten te maken die vooral deze ingrediënten bevatten. Met name bacon is een geliefd product in de fast food industrie: het is een goedkope manier om iets toe te voegen dat een hoog smaakgehalte heeft (7).
Bovendien worden de porties steeds groter. De porties die de fast food industrie nu serveert zijn twee tot vijf maal zo groot als vroeger. In 1940 serveerde de eerste McDonald’s een frisdrank van ongeveer 21 cl. Tegenwoordig is de kleinste hoeveelheid frisdrank voor kinderen iets meer dan 33 cl, de grootste is bijna 1 liter. Sandwiches en burrito’s die men in de meeste fast food zaken kan krijgen bevatten ongeveer 1000 calorieën. Hamburgers bevatten ongeveer 340 gram vlees, de aanbevolen hoeveelheid voor twee dagen voor een volwassene. Een maaltijd van Burger King, bestaande uit een steakhouse burger, een kleine cola en friet, bevat 1520 calorieën, wat neerkomt op bijna het totaal aantal noodzakelijke calorieën voor een hele dag (8).
En fast food is goedkoop. Goedkoper dan verse (blad)groente, vruchten en sappen. Voor $ 5 kan men een hamburger met friet eten, met frisdrank die ook nog eens gratis bijgevuld kan worden.

De fast food industrie is dus een belangrijke factor in de problematiek van zwaarlijvigheid. Maar bestudering van het ontstaan van deze industrie brengt nog een factor van belang in beeld: het landbouwbeleid van de Amerikaanse overheid. Dankzij het landbouwbeleid is de fast food industrie in staat geweest niet alleen de Verenigde Staten volledig te beheersen maar ook haar vleugels uit te slaan naar de rest van de wereld.

Landbouwbeleid: subsidies voor zwaarlijvigheid

Reeds vanaf ongeveer 1920 heeft de Amerikaanse overheid landbouwsubsidies verstrekt aan boeren die financieel in problemen waren geraakt. Deze subsidies waren  bedoeld als financiële ondersteuning voor individuele boeren. In de zeventiger jaren richtte het beleid zich echter steeds meer op grootschalige landbouwindustrieën ten koste van de kleine of middelgrote familieboerderijen. Boeren werden aangemoedigd ‘to get big or to get out’. (9). De ontwikkeling van grootschalige industrieën leidde ook tot meer monoculturen. Het Institute for Agriculture and Trade Policy (IATP) zegt in Food without Thought. How U.S. Farm Policy Contributes to Obesitas, dat het landbouwbeleid van de Verenigde Staten in de afgelopen 50 jaar zich steeds meer heeft gericht op het verlagen van de prijzen van sommige landbouwproducten zoals maïs en sojabonen, door deze sectoren zwaar te subsidiëren. Maïs is een bijzonder productief gewas. De teelt van maïs zorgt op een efficiënte manier voor calorierijke producten, terwijl de teelt van soja zorgt voor proteïnen. Maar één van de redenen waarom deze gewassen zo zwaar gesubsidieerd werden was, dat zij ook gebruikt konden worden als voer in de vleesindustrie, waardoor ook de prijzen van vlees omlaag gingen. Tegelijkertijd ontvingen producten als groente en fruit bijna of geen subsidie, waardoor de prijzen daarvan steeds zijn toegenomen. Privé-investeringen zijn dan ook vooral in de goedkope producten gedaan. Die leveren immers het grootste rendement op vanwege hun lage prijzen, met als gevolg dat het gebruik van deze producten in de voedselindustrie zich enorm heeft uitgebreid. Het probleem is dat juist deze goedkope producten, toegevoegde suikers en vetten, in belangrijke mate leiden tot zwaarlijvigheid. Zo wordt van maïs HFCS (High Fructose Corn Syrup) gemaakt, een vloeibare zoetstof die zes maal zoeter is dan suiker. Gebruik hiervan geeft producten een langere bewaartijd. Sojabonen worden bewerkt tot zogenaamde partieel gehydrogeneerde (= verzadigde) sojaolie, waardoor niet alleen de olie langer houdbaar blijft, maar ook de producten waarin de olie verwerkt wordt, zoals zoutjes, koekjes, sausen en dressings. Maar het is dit proces van partiële hydrogenatie (verzadiging) dat de schadelijke transvetzuren doet ontstaan, die nu juist als het meest ongezonde soort vet worden beschouwd (10).
Schadelijke (verzadigde) transvetzuren komen met name voor in partieel gehydrogeneerde sojaolie. Sojaolie of vet wordt vooral gebruikt voor sausen, dressings, producten van commerciële banketbakkerijen, kant en klaarmaaltijden, margarines, knapperige of voorgebakken (graan-)producten, zoutjes, koek, snoep, soepen en bepaalde toetjes. De vermelding plantaardig vet zonder nadere aanduiding mag opgevat worden als: bevat sojaolie of vet. Er kunnen aanzienlijke hoeveelheden transvetzuren zitten in snackbarproducten, horecavoedsel, gebakken vis aan de kraam, hoewel dit geheel afhankelijk is van het soort olie of vet dat gebruikt wordt (11).
In hetzelfde rapport van het IATP dat eerder is aangehaald, wordt gezegd dat door de prijs van maïs en sojabonen kunstmatig laag te houden, het landbouwbeleid van de VS in feite neerkomt op een subsidiëring van de veestapel in CAFO’s (Concentrated Animal Feeding Operations), omdat deze producten – maïs en sojabonen – in de CAFO’s als veevoer gebruikt worden. (CAFO’s, intensieve veehouderij of bio-industrie, houden de dieren op een fabrieksmatige manier, opeengehoopt in hallen. Het streven is gericht op efficiëntie, grootschaligheid en optimale productie (12).
Het overheidsbeleid, zo zegt het rapport, was verder gericht op het zo goedkoop mogelijk produceren van bepaalde producten. Grootschaligheid was een van de middelen om dit te bereiken en het leidde dan ook tot het ontstaan van multinationals zoals Idaho (aardappelen), Tyson (kip), IBP (rundvlees), Smithfield (varkensvlees.) Allemaal industrieën die leveren aan de fast food industrie. Ook zijn zij in staat strenge controles op hun industrie te voorkomen door het inzetten van lobbyisten. Door de indirecte subsidies, hun grootschaligheid en geringe overheidscontrole kunnen zij de fast food industrie zeer goedkope producten aanleveren. Daardoor kan deze industrie fast food zoals hamburgers, friet, frisdrank en gefrituurd vlees dan ook goedkoop aan de consument aanbieden.

Link tussen armoede en zwaarlijvigheid

Evenals de rol van het overheidsbeleid wordt ook de rol van sociaal-economische status nauwelijks genoemd als een belangrijke factor bij zwaarlijvigheid. Diverse studies wijzen er echter op dat de sociaal-economische status van mensen belangrijker is dan ras of etniciteit. In Social context explains race disparities in obesity among women stellen de onderzoekers dat vele studies aangeven dat in de VS het percentage zwarte, non-Hispanic zwaarlijvige vrouwen hoger is dan dat van witte zwaarlijvige vrouwen. Hun studie onder zwarte en witte vrouwen met een laag inkomen in een stedelijke gemeenschap wijst echter uit, dat individuen met dezelfde sociaal-economische status en afkomstig uit hetzelfde sociale milieu in feite nauwelijks verschil in zwaarlijvigheid vertonen. Met andere woorden: in het plaatje van zwaarlijvigheid speelt de sociaal-economische factor een zeer belangrijke rol (13). In Poverty, Obesity, and Malnutrition: An International Perspective recognizing the Paradox zeggen de schrijvers dat er een paradox bestaat die een link legt tussen armoede, voedselonzekerheid en ondervoeding aan de ene kant en zwaarlijvigheid, oftewel een situatie van overvoeding, aan de andere kant. De paradox bestaat hierin dat het dieet van de mensen die in armoede leven het adequate aantal kilocalorieën heeft dat zij nodig hebben of zelfs meer dan ze nodig hebben, maar dat het voedsel niet die kwaliteit heeft die nodig is voor een optimale gezondheid en om chronische ziekten te voorkomen. Voedselonzekerheid ontstaat als men geen eten meer heeft en men niet weet of men wel aan voldoende eten zal kunnen komen. Een oplossing wordt dan gezocht in het eten van energierijk voedsel, dat veel vet en koolhydraten bevat, maar arm is aan nutriënten. Dit energierijke eten is in overvloed te vinden in de fast food industrie en is goedkoper dan het eten dat minder energierijk is, maar meer voedingswaarde bevat, zoals fruit, groente en volkoren producten (14). Ook in het januarinummer van 2004 van The American Journal of Clinical Nutrition stellen Dr. Drewnowski en Dr. Specter, dat het kiezen van energierijk voedsel door consumenten uit lage inkomensgroepen, of die in (voedsel)onzekere situaties leven, een bewuste strategie is om geld uit te sparen: ‘…persons attempting to limit food costs will first select less expensive but more energy-dense foods to maintain dietary energy’. Bovendien is dergelijk voedsel ook nog smakelijk (15).

Aanpak van het probleem

De aanpak van het probleem van zwaarlijvigheid is niet eenvoudig, niet alleen vanwege de complexheid van het vraagstuk, maar vooral vanwege de vele belangen die een rol spelen. Het is toe te juichen dat overal in het land groentetuintjes worden aangelegd, dat men wordt aangespoord om aan lichaamsbeweging te doen en om meer fruit en groente te eten. Alleen zullen dit soort adviezen en initiatieven minder opleveren, wanneer men te weinig geld heeft voor essentiële levensbehoeften, laat staan voor gezond eten. In de afgelopen dertig jaar is de kloof tussen de rijkste Amerikanen enerzijds en de midden- en lagere klasse anderzijds steeds groter geworden (Bron: Center on Budget and Policy Priorities) (16).  Het minimumuurloon dat door de federale regering wordt vastgesteld en dat sinds 1997 tot 2007 niet verhoogd werd, bedraagt nu $7,25. Sommige staten hebben een hoger minimumloon, maar niet hoger dan $8,55 per uur. Het minimumloon is altijd beneden de armoedegrens gebleven en een gezin van vier personen kan nooit boven de armoedegrens uitkomen, wanneer maar één gezinslid het minimumloon verdient (17).
Eric Schlosser zegt dat een systeem is gecreëerd waarin het eten bij McDonald’s goedkoop is omdat het bedrijf van goedkope arbeid gebruik maakt. De fast food industrie maakt namelijk gebruik van ongeschoolde arbeidskrachten en betaalt veelal minimumlonen. Ook kunnen de producten goedkoop verkocht worden dankzij zware subsidies van de overheid, en bovendien worden de producten verkocht aan consumenten van wie de lonen laag zijn gehouden. Zo wordt een doelgroep van potentiële werknemers en consumenten in stand gehouden.

Hij acht een doorbreking van deze cyclus mogelijk. Enkele van zijn voorstellen zijn:

  • Subsidies voor industrieën die zich toeleggen op het produceren van vruchten, groente en noten in plaats van subsidies voor industrieën die ongezonde voeding in de hand werken.
  • Introduceren van gezond voedsel op de openbare scholen en scholing van kinderen in goede voeding.
  • Verhoging van de lonen; landarbeiders en restaurantpersoneel moeten zich ongehinderd kunnen verenigen in vakbonden.
  • Gezond eten meer toegankelijk maken door het ondersteunen van markten waar individuele boeren hun producten aanbieden en door de vestiging van meer supermarkten in armere wijken te bevorderen.
  • Fast food duurder maken.
  • Meer regulering van en controle op de bio-industrie (18).

Het zijn logische voorstellen, voorstellen die misschien tot een oplossing van het probleem van zwaarlijvigheid kunnen bijdragen. Maar in een sociaal-economisch en politiek systeem waarin hebzucht de overhand heeft en de drijvende kracht is en waarin die groepen die economisch-financieel tot de machtigsten in de samenleving behoren, ook de meest invloedrijke zijn in het politieke systeem, in een dergelijk systeem zal het treffen van bovengenoemde maatregelen nog lang op zich laten wachten.

Tekst: Astrid Elstak-Lie Pauw Sam
Beeld 1 en 2: Anne Tjin

Bronnen:

  1. democracynow.org/2009/8/3/former_fda_commissioner_david_kessler_the
  2. nl.wikipedia.org/wiki/Obesitas
  3. revolutionhealth.com/healthy-living/weight-management/learn-the-basics/ideal-weight/interpret-your-bmi
  4. nhlbi.nih.gov/health/public/heart/obesity/lose_wt/risk.htm
  5. jsonline.com/news/wisconsin/99847989.html
  6. nytimes.com/books/first/s/schlosser-fast.html
  7. msnbc.msn.com/id/20825325/from/ET/
  8. alternet.org/story/141498/gonzo_gastronomy:_how_the_food_industry_has_made_bacon_a_weapon_of_mass_destruction/
  9. en.wikipedia.org/wiki/Agricultural_policy_of_the_United_States
  10. iatp.org/iatp/publications.cfm?accountID=421&refID=80627
  11. nl.wikipedia.org/wiki/Transvet#Voorkomen
  12. animalfreedom.org/paginas/informatie/veeteelt.html
  13. Sara N Bleich, Roland J Thorpe Jr, Hamidah Sharif-Harris, Ruth Fesahazion, Thomas A LaVeist, Social context explains race disparities in obesity among women, Journal of Epidemiology and community health, May 2010
  14. Sherry A. Tanumihardjo, Cheryl Anderson, Martha Kaufer-Horwitz, Lars Bode, Nancy J. Emenaker, Andrea M. Haqq, Jessie A. Satia, Heidi J. Silver, Diane D. Stadler, Poverty, Obesity, and Malnutrition: An International Perspective Recognizing the Paradox, Journal of the American Dietetic Association, November 2007.
  15. Drewnowski A, Specter SE, Poverty and obesity: the role of energy density and energy costs, American Journal of Clinical Nutrition, 2004
  16. huffingtonpost.com/2010/07/08/income-gap-between-rich-a_n_639984.html
  17. oregonstate.edu/instruct/anth484/minwage.html
  18. pbs.org/now/shows/523/schlosser-food-finances.html
Geplaatst inOvergewicht en ondergewicht