Menu Sluiten

De Nederland en zijn omgang met geld

Liena van Ooijen is als kind naar Nieuw-Zeeland verhuisd en als studente teruggekomen naar Nederland. Zij geeft hieronder in zeven korte geestige en rake observaties een schets van de Nederlander en zijn omgang met geld.

Praten over geld
De Anglo-Saksische wereld praat heel anders over geld dan de Nederlanders. Waar het bij Oprah Winfrey heel gewoon is om op te scheppen over wat je verdient (‘I earned $ 100,000 in two years’ – bewonderende kreten, wild applaus en catcalls vanuit de zaal) wordt door ‘de’ Nederlander angstvallig gezwegen over geld. Hij houdt niet alleen de prijs van zijn huis voor zich of de grootte van het gezinsinkomen of de kosten van zijn auto, maar ook over gewone uitgaven praat hij niet zo gemakkelijk. Een Amerikaan schroomt niet om je deelgenoot te maken van zijn financiële positie, tot op de dollar en de cent nauwkeurig. Nederlanders zitten daar met samengeknepen billen en met plaatsvervangende schaamte bij. ‘De’ Nederlander is wel heel open over allerlei andere onderwerpen. Zo geeft hij graag zijn mening en zit ’s avonds met de gordijnen open. Maar over geld praten? Ho maar. Toch duurde het even voor dat ik doorhad dat het in Nederland óók geen pas gaf om te vertellen hoe weinig iets had gekost. Kreeg ik een complimentje over een kledingstuk, een gerecht of een nieuwe fiets, dan leidde de opmerking dat het ‘slechts € x euro, tweede­hands of spotgoedkoop was geweest’, alleen maar tot verstrakte blikken en pijnlijke stiltes. Zelfs zeggen dat iets in de uitverkoop was gekocht was not done. Terwijl men wèl wil weten hoeveel iets kost. Er staat bijvoorbeeld een huis te koop in mijn straat. Alle buren hebben zich onmiddellijk op internet gestort om te kijken wat het moet kosten. Het commentaar is dan: ‘Dat krijgen ze er nooit voor!’ Maar ze stellen geen rechtstreekse vragen aan de betrokken buurman. Zijn ze bang om de buurman in verlegenheid te brengen?

Schulden
Zoals het een goede calvinist betaamt, schaamt een Nederlander zich als hij moet lenen. ‘Makkelijke’ en onzichtbare schulden bij b.v. postorderbedrijven zijn een vrij recent fenomeen. Vooral bij oudere generaties Nederlanders zijn schulden echter nog steeds een groot taboe. Mijn 86-jarige schoonmoeder vertelde het verhaal van een pas getrouwde vriendin die een radio op afbetaling had gekocht. Toen haar vader dat hoorde, eiste hij dat zij dat ding terugbracht naar de winkel. Hetgeen geschiedde. De vriendin vond eigenlijk dat haar vader gelijk had: je mocht iets pas kopen als je het geld had. In Engeland zijn de lommerd (een verschijnsel dat hier maar op bescheiden schaal voorkomt) en de never-never (de huurkoop van grotere huishoudelijke artikelen zoals televisies en koelkasten) ingeburgerde tradities, en elke winkelketen biedt afbetalingsregelingen. In Nederland wordt afbetaling eigenlijk alleen door postorderbedrijven geboden, en is het een vrij recent verschijnsel. De gemiddelde Nederlander heeft ook weinig met credit cards – het woord ‘duur’ wordt er meestal voorgezet – misschien omdat rood staan op de giro nog altijd goedkoper is. Ook bestaat een instelling als de BKR, de toezichthouder van de Nederlandse portemonnee, niet buiten Nederland. Het is eigenlijk heel Nederlands en erg opvoedkundig dat er een instantie is die zorgt dat je je niet te diep in de schulden werkt. Maar misschien is het ook wel een nuttig instituut, want in 2011 had elke Engelsman gemiddeld ruim € 9.000 aan schulden.

Bankieren
Ik groeide op met cheques en postal orders en ik vond de gratis Nederlandse giro een wonder van transparantie en gemak. Zelfs de vrij omslachtige procedures om de rekening te gebruiken waren een makkie vergeleken met het systeem dat ik gewend was: op elke vrijdagochtend kwam iemand van de administratie langs op je werk met een bruin envelopje met daarin je contante salaris, tot op de laatste cent uitgerekend. Wilde je sparen, dan moest je in je lunchpauze met je spaarboekje in de lange rij bij de bank gaan staan om te storten. Elke week weer. Elke cheque, elke overschrijving en elk overzicht kostte geld; men had noodgedwongen altijd veel contant geld bij de hand. Een overblijfsel uit de 19e eeuw was echter de hopeloos inefficiënte, maar toch wel aandoenlijke, traditie dat je de hoge rente op je tekort een paar dagen kon uitstellen door de bankdirecteur een brief te schrijven waarin je de beste man uitlegde dat het tekort binnenkort aangevuld zou worden, omdat je een verjaardagscheque of een storting verwachtte. Het wekte zo de indruk dat bankieren een kwestie is van persoonlijk vertrouwen.
Omdat de Nederlandse giro lange tijd gratis was, was giraal geld in Nederland veel eerder ingeburgerd dan in andere landen. Sinds meer dan 20 jaar betalen de meeste Nederlanders met het bankpasje van de rekening waar zijn salaris op wordt gestort. Het geld wordt dan onmiddellijk afgeschreven. Bijna alle girodiensten waren tot voor kort gratis, en er was zelfs ruimte om rood te staan. Je was wel gek als je geen girorekening had en veel mensen hadden er meerdere omdat het makkelijker was om verschillende geldstromen uit elkaar te houden. Deze situatie is nu wel aan het veranderen in Nederland.
Bankdiensten buiten Nederland zijn echter aanzienlijk duurder, zo duur dat het niet vanzelfsprekend is dat men het salaris op de bank laat storten. In Engeland en Amerika is het heel gewoon om verschillende credit cards te hebben (met ieder hun eigen kredietruimte) en die desnoods afwisselend te gebruiken. Daar wordt nog veel betaald met cheques en omdat het altijd ongeveer een week duurt voordat de betaling gestort en afgeschreven is, heeft elke cheque een soort eigen betalingsvacuüm.

Inkomens
Nederlandse ‘grootverdieners’ verdienen helemaal niet zo ‘groot’. De inkomensnivellering betekent dat een uitkering geen feest is, maar dat, met een beetje beleid, je er heel behoorlijk van kan eten. Dit is niet het geval in zowel Engeland als Amerika, waar leven van een uitkering echt armoede betekent: gas en elektra werken op munten, de verwarming moet regelmatig uit in de winter en zelfs kinderen moeten soms maaltijden overslaan. Hoewel sommige beroepsgroepen meer verdienen dan andere, is een ‘hoog’ inkomen in Nederland zelden het tien- of zelfs twintigvoudige van een uitkering zoals in Engeland of Amerika. Een laag inkomen betekent in Nederland bovendien dat je in aanmerking komt voor allerlei subsidies, regelingen en toeslagen die ondenkbaar zijn buiten dit land, maar die je beschermen tegen de ergste uitwassen van de armoede. Gewend als ik was aan de meer hiërarchische en verdeelde Anglo-Saksische maatschappij, was ik geschokt om te merken dat de meeste minima in Nederland wel een auto en vaak ook een plaats op de camping hebben. In Amerika heb je bij een uitkering en bij de slechtstbetaalde baantjes voedselbonnen nodig en stacaravans als woning. In Engeland met weinig aantrekkelijke sociale woningbouw, hebben de schoolkinderen recht op een gratis maaltijd, krijg je te maken met voedselbanken en tweedehands schoenen, maar bezit je zeker geen auto.

Oud geld
‘Rijke’ Nederlanders, vooral die met ‘oud geld’ leven ontstellend zuinig. Ze kleden zich bij voorkeur in een soort uniform afgekeken van Engelse kostscholen en vooroorlogse landheren, zoals oerlelijke maar peperdure plooirokken, blauwe blazers en ribbroeken. Ik heb als schoolkind altijd verplicht een schooluniform gedragen en ik haatte het. Daarom kan ik mij niet voorstellen dat men dat vrijwillig zou willen dragen. Ik begrijp inmiddels dat die soort kleding in Nederland een code is. Het is de bedoeling dat men de ‘goede afkomst’ van de drager er in herkent. Maar ook dan is men zeer zuinig, want dit soort kleding wordt gedragen tot het op de draad toe versleten is en men vindt het niet nodig om aan de mode mee te doen. Er is geld voor de hockeyclub en het golfen, maar veel minder voor goede doelen. Als er geen bezoek is, wordt de thee gezet met een theezakje van de Aldi, het dure servies wordt met het goedkoopste en slechtste afwasmiddel gewassen, er is weinig huishoudelijke hulp in de villa met rieten dak, de auto is oud en bescheiden en men kookt bij voorkeur thuis. Zo wordt er ontzettend hard gewerkt aan de illusie dat men veel geld bezit, maar naar goed genivelleerd Nederlands gebruik, verdient de Nederlandse topklasse niet dramatisch veel meer dan anderen. Het verschil zit hem vooral in hoe men het uitgeeft. Winkels als de Aldi en Dirk van de Broek doen in ieder geval goede zaken in Amsterdam Zuid, Bloemendaal en Wassenaar. Want daar kun je immers voor je goedkope kaakjes terecht.

Gokken
De Engelsman houdt van gokken. Hij gokt op paarden, honden, de naam van de nieuwe prinses en de kansen op een witte Kerst. Gokwinkeltjes vind je in elke Engelse winkelstraat. In Engeland wordt een gokje wagen (having a flutter), gezien als leuk en spannend, als iets dat hoort bij een avondje uit en in ieder geval niet wordt gezien als moreel verwerpelijk. Er werd veel gegniffeld over de Queen Mum, die veel en graag gokte, en daarbij zwaar verloor. Maar het tastte haar status als lady niet aan. Dat ligt heel anders in het van protestantse ethiek doortrokken Amerika waar, net als in Nederland, gokken alleen in bepaalde plaatsen wordt toegestaan. Verder is het gokken er sterk aan banden gelegd en wordt het enigszins als een zwakte gezien. Gokwinkeltjes vind je daar dan ook niet. In Nederland is gokken nog steeds een door de staat gemonopoliseerd bedrijf, terwijl de uit 1726 daterende Staatsloterij notabene één van de oudste loterijen ter wereld is. De Nederlandse staat bewaakt de goklust angstvallig, en tot relatief kort geleden waren loterijen vrijwel de enige manier om het kansspel te beoefenen. Daar heeft internet een einde aan gemaakt.
Maar als ik het call centre dat van mij een vaste afschrijving wil voor deelname aan een loterij uitleg dat ik nooit meedoe aan loterijen, ook niet voor goede doelen, gaat men er automatisch vanuit dat dit op godsdienstige bezwaren berust. Niks ervan. Ik vind het weggegooid geld. Ben ik toch wat Nederlandser dan ik dacht.

Houding
Het is vooral een kwestie van verschil in houding ten opzichte van geld en armoede. Als je in Amerika arm bent, ben je hooguit iemand die nog niet succesvol is. Je moet een schop onder je kont krijgen of een tweede baan zoeken, maar je moet geen huursubsidie krijgen. In Nederland moet je goed je best doen om echt aan de grond te raken, terwijl dat in sommige Angelsaksische landen snel kan gebeuren. En eenmaal arm raken mensen hopeloos verstrikt in een kluwen van schulden, gewoon om in hun levensbehoeften te voorzien. De Nederlandse opvattingen over ‘rijk’ zijn heel bescheiden: een ruim vrijstaand huis in een buitenwijk van een stad met een grote tuin en een slaapkamer voor elk kind is iets voor Nederlandse grootverdieners, maar in Engeland is het heel gewoon, ook voor modale gezinnen. Ook in het verleden zijn de rijken in Nederland nooit zo puissant rijk geweest als hun evenknieën in Engeland. Nederlandse landhuizen zijn klein en bescheiden in vergelijking met Engelse country houses uit dezelfde periode.
Toen ING het bijna failliete Barings Bank in Londen overnam en een grote groep Nederlandse bankiers zich in the City, vestigden, de Londense bankenwijk, baarden zij veel opzien vanwege hun geringe behoefte aan luxe. De Engelse bankiers lunchten met champagne en kreeft, de Nederlanders waren al tevreden met een paar boterhammen en een glas melk. Er waren zelfs geruchten dat ze boterhammen meenamen van thuis…
De Nederlandse houding ten aanzien van geld lijkt ingegeven te zijn door schaamte. Je praat er niet over, al is je leven ingericht op het vergaren ervan. Je maakt geen schulden, je leeft zuinig en je vergokt je zuurverdiende centjes niet. Zelfdiscipline staat hoog aangeschreven, ook in de omgang met geld. Daar komt het post-hippie credo bij, dat materialisme moreel verwerpelijk is. Ook een sterker milieubewustzijn draagt bij aan een zuinige niet-verspillende levensstijl Want het is ook nog eens goed voor je ziel en de planeet om zuinig om te springen met grondstoffen. Tel daar de erfelijke belasting bij op van de grootschalige armoede van onze grootouders die onvoldoende te eten hadden én de magere jaren van onze eigen ouders tijdens en na de oorlog. Dan is het eigenlijk geen wonder dat ‘de’ Nederlander liever onverdoofd een kies laat trekken dan dat hij geld over de balk smijt.

Tekst: Liena van Ooijen
Beeld: Anne Tjin

Geplaatst inVrouwen, geld en economie