Menu Sluiten

Nieuwe sociale ritmes en arbeidsparticipatie

Saskia Keuzenkamp, hoogleraar Emancipatie in internationaal vergelijkend perspectief aan de Vrije Universiteit en hoofd van de onderzoeksgroep Emancipatie, Jeugd en Gezin van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), doet onder meer onderzoek naar vraagstukken over verlof en arbeidsduur. We stelden haar een aantal vragen over nieuwe sociale ritmes en arbeidsparticipatie.

Is er sprake van teloorgang van gezamenlijke leefritmes door de 24-uurs economie?

Onder meer als gevolg van veranderingen in de wetgeving over arbeidstijden en winkeltijden in 1996 kunnen individuen tegenwoordig meer zelf kiezen wanneer ze waaraan hun tijd besteden. Ook de opmars van ICT en de mogelijkheden van telewerken hebben de keuzemogelijkheden van de burgers op dat punt vergroot. Boodschappen doen in de avond of op zondag is zeker in de grote steden bepaald niet ongewoon, evenals (gedeeltelijk) vanuit huis werken – al dan niet buiten kantoortijd. Dit heeft ertoe geleid dat tegenwoordig wel wordt gesproken over het bestaan van een 24-uurseconomie, waarin de grenzen tussen dag en nacht zouden vervagen. Uit onderzoek naar de tijdsbesteding over de jaren heen blijkt echter dat de tijden waarop mensen werken, eten en slapen niet zo veel zijn veranderd. Wat wel sterk is veranderd in de afgelopen decennia, is dat veel meer vrouwen zijn gaan werken. En mannen zijn wat meer gaan zorgen. De tijdsbesteding van vrouwen aan betaald werk is echter veel meer gegroeid dan die van mannen aan zorgtaken. Het ritme van de dagindeling van vrouwen en mannen is zo wat meer op elkaar gaan lijken. Maar vooral op woensdagmiddag en op vrijdag zijn er minder vrouwen dan mannen aan het werk.
Mensen hechten aan ritmes, zo toont onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau steevast aan (Breedveld en Van den Broek 2001; Cloïn, Schols en Van den Broek 2010). En ze hechten eraan om dingen samen te doen: met de partner en de kinderen (indien aanwezig), met vrienden en familie en in verenigingsverband. Werkgevers verwachten overwegend dat mensen tijdens de reguliere werktijden (voor de meesten zijn dat kantoortijden) op het werk aanwezig zijn of (als ze thuis werken) bereikbaar zijn. En het dag-en-nacht ritme is eveneens een belangrijke factor die maakt dat de leefritmes van mensen sterk op elkaar lijken.

Op welke manier proberen burgers binnen de huidige economie zorgtijd voor elkaar te creëren?

De meeste mensen vinden het belangrijk om zelf voor hun naasten te zorgen. Het uitbesteden daarvan komt betrekkelijk weinig voor. Het gebruik van kinderopvang is weliswaar flink toegenomen, maar meestal gaat het toch om hooguit drie dagen per week. De zorg voor kinderen nemen ouders vooral zelf op zich. Zij (vooral de moeders) doen dat door in deeltijd te werken. Vrouwen met een partner en minderjarige kinderen werken gemiddeld iets meer dan 23 uur per week, mannen met partner en minderjarige kinderen bijna 41. Dit is een structurele oplossing.
Problemen ontstaan er echter als er plotseling extra zorg nodig is, bijvoorbeeld vanwege de ziekte van een kind of om te kunnen zorgen voor een zieke ouder of andere naaste. Zo verleende in 2009 zeven procent van de werknemers (extra) zorg voor een kind, partner of ouder die kortdurend ziek was. Eenzelfde percentage deed dat voor een langdurig zieke naaste. De meeste verzorgers deden dat in hun eigen tijd. Ze leverden dus in op hun vrije tijd, bijvoorbeeld door minder tijd met vrienden door te brengen of minder te sporten. De groep die gebruik maakt van een of andere vorm van verlof is betrekkelijk gering. In kortdurende zorgsituaties ging het in 2009 om 31%, in langdurende zorgsituaties om 16%. Vaak was dat verlof overigens een vrije dag (vakantie of adv). De wettelijke verlofregeling voor kort zorgverlof werd maar door een op de vier ‘kort-zorgende-werknemers’ gebruikt. Bij langdurende zorgsituaties maakte een op de drie daarvan gebruik en een op de acht nam (ook) langdurend zorgverlof op. (De Meester en Keuzenkamp 2011)

Vrouwen leven tegenwoordig door hun deelname aan het arbeidsproces in een veel hoger ritme dan hun moeders. Ze combineren de zorg voor huis en kinderen met een baan buitenshuis. Welke consequenties heeft dat voor hun gezondheid?

Deze vraag is moeilijk te beantwoorden. De relatie tussen arbeidsdeelname en gezondheid kan twee kanten opgaan. Teveel en te zwaar of ongezond werk kan de gezondheid schaden, zeker als het lang duurt. Maar arbeidsdeelname kan juist ook gezondheidsbevorderend werken. Uit een onderzoek naar de relatie tussen gezondheid en arbeidsdeelname bij migrantenvrouwen dat Myra Keizer en ik onlangs deden (2011), blijkt dat er een duidelijk verband is tussen het hebben van lichamelijke en psychische aandoeningen enerzijds en het welbevinden anderzijds, maar er is geen direct verband tussen die aandoeningen en de arbeidsdeelname. Wel is er een relatie tussen het welbevinden en de arbeidsdeelname. Vooral het welbevinden is dus van belang en dat wordt beïnvloed door de psychische en (vooral) de lichamelijke aandoeningen evenals door de arbeidsdeelname. Vrouwen die zich heel wel voelen bij hun werk en het combineren van een baan buitenshuis met de zorg voor kinderen, zullen dus vermoedelijk weinig gezondheidsproblemen krijgen die het gevolg daarvan zijn.

De afgelopen jaren verscheen met een zekere regelmaat de klacht in de pers dat allochtone ouders niet of nauwelijks participeren in oudertaken rond sportclubs en scholen. Klopt dat verwijt ook voor Surinaamse moeders?

Het is zeker waar dat de arbeidsdeelname van Surinaamse vrouwen al jarenlang relatief hoog is. In 2010 had 58% een baan van ten minste 12 uur per week, wat maar weinig minder was dan autochtone vrouwen (62%) (Huijnk 2012) en lager was dan in het jaar daarvoor (62%) (Janssen en Portegijs 2011). Vergeleken met autochtone vrouwen werken Surinaamse vrouwen echter veel vaker voltijds: vier op de tien doen dat, terwijl het bij autochtone vrouwen om een kwart gaat. Ook moeders hebben vaak een baan, of ze nu wel of geen partner hebben. Op dat punt zijn er niet veel verschillen tussen Surinaamse en autochtone vrouwen.
Maar de vraag gaat vooral ook over de participatie van allochtone ouders in sportclubs en op scholen. Voor zover ik weet zijn daarover geen betrouwbare cijfers beschikbaar. Eind 2004 / begin 2005 onderzocht het SCP of er verschillen zijn in deelname aan vrijwilligerswerk tussen autochtonen en migranten en tussen migrantengroepen onderling (Dekker 2008). Die zijn er inderdaad: autochtonen zijn het meest actief in vrijwilligerswerk en Turkse en Marokkaanse Nederlanders het minst. Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders nemen een middenpositie in. Maar in hoeverre het daarbij specifiek ging om participatie van ouders als vrijwilliger bij sportclubs en scholen van hun kinderen werd niet onderzocht. Het is echter aannemelijk dat die algemene verschillen in deelname aan vrijwilligerswerk tussen de groepen ook hiervoor gelden.

Tekst: Saskia Keuzenkamp

Literatuur

  • Breedveld, Koen en Andries van den Broek (2001) Trends in de tijd. Een schets van recente ontwikkelingen in tijdsbesteding en tijdsordening. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Cloïn, Mariëlle, Marjon Schols en Andries van den Broek (2010) Tijd op orde. Een analyse van de tijdsorde vanuit het perspectief van de burger. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Dekker, Paul (2008) Civil society. In: Andries van den Broek en Saskia Keuzenkamp (red.) Het dagelijks leven van allochtone stedelingen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Huijnk, Willem (2012) De arbeidsmarktpositie vergeleken. In: Merove Gijsberts, Willem Huijnk en Jaco Dagevos. Jaarrapport integratie 2011. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
  • Janssen, Boukje en Wil Portegijs (2011) Betaalde arbeid. In: Ans Merens, Marion van den Brakel, Marijke Hartgers en Brigitte Hermans, Emancipatiemonitor 2010. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau / Centraal Bureau voor de Statistiek.
  • Keizer, Myra en Saskia Keuzenkamp (2011) Moeilijk werken. Gezondheid en arbeidsdeelname van migrantenvrouwen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.
Geplaatst inTijd en ritme