Menu Sluiten

Het is een luxe dat ik vrij ben

Esther Captain, als senior onderzoeker en projectleider werkzaam bij het Nationaal Comité 4 en 5 mei, houdt zich niet alleen bezig met het oorlogsverleden maar ook met het oorlogserfgoed overzee. Eerder werkte ze voor het Centre for Humanities van de Universiteit van Utrecht, waarvoor ze het tweedaagse, internationale congres “The Colonial Legacy of the Treaty of Utrecht: 1713-1863-2013” organiseerde. Zij schreef het boek Oorlogserfgoed overzee – De erfenis van de Tweede Wereldoorlog in Aruba, Curaçao, Indonesië en Suriname (Amsterdam: Bert Bakker, 2010) en publiceerde vorig jaar met Hans Visser de tweetalige Wandelgids Sporen van Slavernij in Utrecht (Utrecht: Centre for the Humanities, 2012).

Wat is de relatie tussen de zwarte holocaust en de Joodse?

Holocaust is een omstreden woord, zowel in de context van slavernij van eeuwen geleden als de industriële massamoord op Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Sommige Joden gebruiken liever het woord Shoah, omdat holocaust brandoffer betekent. Zij vinden het niet juist om dat woord voor de moord op Joden te gebruiken. Voor de slavernij zou ik het woord holocaust niet gebruiken omdat de slavernij en de Shoah twee verschillende historische fenomenen zijn. Ik zie dan ook geen directe historische relatie. Wat wel vergelijkbaar is, is dat Joden en zwarten respectievelijk tijdens het naziregime en het kolonialisme als minderwaardig, niet als mensen, werden gezien. Wat ik wel heel goed begrijp, is dat de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan veel meer aandacht krijgen in Nederland dan het slavernijverleden. Dat mensen daarom woorden uit het jargon van de Tweede Wereldoorlog gaan lenen om bijvoorbeeld hun betrokkenheid bij slavernij aan te geven, zoals in de uitdrukking zwarte holocaust, snap ik.
Zo kregen Indische Nederlanders, die zich na de oorlog in Nederland vestigden, vaak te horen dat zij maar blij moesten zijn dat ze de oorlog in Indonesië hadden meegemaakt, omdat ze het tenminste warm hadden gehad en geen hongerwinter hadden meegemaakt. Terwijl de doorsnee Indische Nederlander jarenlang geïnterneerd was geweest of de oorlog buiten de kampen in moeilijke omstandigheden had doorgemaakt. Ook zij gingen leentjebuur spelen en gebruikten typische woorden uit de Tweede Wereldoorlog in Nederland en Europa. Zo zeiden Indische Nederlanders dat ze in Indonesië in Japanse concentratiekampen hadden gezeten, terwijl het strikt gesproken om interneringskampen ging, dus niet gericht op onmiddellijke uitroeiing. Om gehoord te worden gingen ook Indische Nederlanders woorden uit een andere historische context gebruiken, vergelijkbaar met zwarte holocaust.

Er is tot nog toe weinig debat geweest tussen de leden uit (ex-)zwarte koloniën en vertegenwoordigers van de Nederlandse politiek over deze periode uit de geschiedenis. Zou ook niet de Nederlandse regering met zo’n verklaring als van de Raad van Kerken op 14 juni 2013 moeten komen?

Ja, ik denk dat het heel goed is dat mensen uit verschillende gremia en gemeenschappen zien dat zo’n verklaring een eerste stap is om daarna verder met elkaar in gesprek te gaan. Het slavernijverleden is een deel van onze gezamenlijke geschiedenis die een breuk in onze beschaving heeft geslagen, zowel voor zwarte, dubbelbloeden en witte Nederlanders. Ik vind het een kwestie van beschaving om dat te erkennen, ook als het gaat om pijn en verdriet dat jou niet van dichtbij, bijvoorbeeld vanuit de eigen familie, bekend is.

Welke gesprekken zouden witte Nederlanders en mensen uit de (ex-)koloniën met elkaar kunnen voeren om de lucht te klaren?

Een heel mooie manier vind ik de keti kotitafels, een initiatief van Mercedes Zandwijken. Hierbij gaan witte en zwarte Nederlanders met elkaar in gesprek terwijl ze samen een gereconstrueerde slavenmaaltijd eten. Een keti kotitafel is omlijst door rituelen, die al naar gelang de wensen kunnen worden uitgevoerd, zoals een vooroudergebed, het kauwen op kwasi bita (hout) om stil te staan bij het bittere slavernijverleden, het insmeren van elkaars armen met kokosolie om de (letterlijke of figuurlijke) littekens te verzachten en het eten van zoete bojo (cake) om te vieren dat we nu in vrijheid leven. Een voorwaarde is dat het gezelschap uit 50% witte en 50% zwarte deelnemers bestaat, zodat er een werkelijk gesprek ontstaat.
Wat ik zo interessant vind aan de keti kotitafels is dat het een nieuwe traditie is. Tradities zijn geen vaststaande gegevens, maar zijn dynamisch en kunnen in het leven worden geroepen en vormgegeven. De keti kotitafels zijn een manier om een nieuwe traditie te vestigen en mensen op een praktische manier handvatten te bieden om elkaar te bereiken en vragen te stellen.

Dit jaar, op 1 juli, is de slavernij 150 jaar geleden afgeschaft in de Nederlandse (ex-)koloniën. Wat is de zin of onzin van herdenken?

Zelf herdenk ik op verschillende manieren. Ik ben aanwezig op de drie officiële momenten in het jaar: op 4 mei de Nationale Dodenherdenking op de Dam in Amsterdam, op 1 juli de afschaffing van de slavernij in het Oosterpark in Amsterdam en op 15 augustus de Indiëherdenking in Den Haag, waar het officiële einde van de Tweede Wereldoorlog wordt herdacht. Deze drie momenten hebben te maken met de geschiedenis van mijn Indisch-Chinees-Nederlandse familie, mijn persoonlijke banden en vriendschappen met tot slaaf gemaakten en mijn verbondenheid als inwoner van Nederland met het koloniale en slavernijverleden. Ik vind het zinvol om in ons drukke bestaan op sommige momenten stil te staan en ruimte te maken voor rust en reflectie, om de tijd te nemen om te kunnen nadenken over onze verbondenheid met onze ouders, grootouders en voorouders en anderen en het feit dat wij in vrijheid kunnen leven.
Ik ben me er wel van bewust dat dit officiële momenten zijn, ingeschreven in het publieke bestaan en ondersteund door de politiek. Het zijn momenten van insluiting, maar ook van uitsluiting van sommigen. Daarnaast herdenk ik op talloze andere momenten in het jaar, thuis, bij mijzelf, soms heel kort door aan iemand te denken, of wierook te branden. Ik probeer me bewust te zijn van het gemis van personen, van de verantwoordelijkheid die de geschiedenis aan mij doorgeeft en dat het een luxe is dat ik vrij ben om te zien wie ik wil en om te gaan waar ik wil.

Hoe moeten we hierna verder?

We moeten alert blijven en blijven vieren dat we vrij zijn. Toen ik in Engeland was om met mensen te spreken over de manier waarop daar de afschaffing van de slavenhandel is herdacht, gaven zijn aan dat er ná het herdenkingsjaar van 2004 sprake was van een backlash: allerlei instanties en organisaties van voormalige tot slaaf gemaakten hadden het juist moeilijker na 2004. Men was het thema moe en juist na alle aandacht lukte het politici om eerdere verworvenheden terug te draaien en af te schaffen.
In Nederland is dat ten dele al gebeurd. Het is te gek voor woorden dat het Nationaal Instituut voor het Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) in 2012, het jaar vóór de 150-jarige herdenking van de afschaffing van slavernij, is opgeheven. Daarnaast zijn er talloze andere postkoloniale organisaties, zoals het Museum Maluku (Moluks Museum) in Utrecht, Museum Nusantara (Indonesische cultuur) in Delft, Kosmopolis in Utrecht, Rotterdam en Den Haag opgeheven. Andere instellingen, zoals het Tropenmuseum in Amsterdam, worden bedreigd. In ons land leven we in dit herdenkingsjaar 2013 tegelijkertijd op pieken én dalen. In 2014 moeten we standvastig verder en verder onderzoeken hoe we elkaar versterken. We zitten immers in hetzelfde bootje.

Esther Captain
Tekst: Esther Captain en redactie
Beeld 2: Suzanne Liem

Zie voor meer informatie over de keti kotitafels: www.ketikotitafel.nl

Geplaatst inBlack is beautiful